Het woord medelijden kennen we heel goed, maar de betekenis en toepassing ervan steeds minder. Veel mensen zijn er over eens dat onze maatschappij aan het veranderen is. Natuurlijk is er begrip voor de ander en moet er hulp komen voor de zwakkeren onder ons, maar wie wil die rekening betalen? Bij grote rampen is er een tijdelijke opleving van ons medelijden en willen we wel iets meer geven. Maar bij een deurcollecte kan het gevoel van medelijden fors krimpen.

Lezen: MARCUS 10:46-52.

 

Inleiding

Praktisch gezien wil medelijden zeggen, dat je in staat bent om met je naaste mee te lijden. Maar wat roept dit mede-lijden in ons op? Je kunt verdrietig zijn om wat je familie meemaakt, en wilt met hen mee-voelen. Je voelt je betrokken bij je zieke buurman en wilt met hem mee-leven. Je bent diep bedroefd over zoveel onrecht en wilt daadwerkelijk deel-nemen aan de oplossing. Er is iemand overleden en je gaat je deel-neming betuigen. Het verdriet van anderen kan ons diep raken en doet dingen met ons die we niet voor mogelijk hadden gehouden. Denk aan artsen die een goede baan inruilen voor een leven bij kansloze mensen. Mensen met medelijden voor hun naaste hebben de eigenschap om de gevoelens of gedachten van anderen te begrijpen.

Voor veel mensen is medelijden een deel van het begrip naasten-liefde. De praktiserende naastenliefde is je verplaatsen in de gevoelens, de pijn en het verdriet van anderen. Het is de mogelijkheid om de ervaringswereld van anderen heel dicht bij jezelf te brengen. De Bijbelse oproep uit HEBREEËN 13:3 is hier een goed voorbeeld:

“Denk aan de mensen die in de gevangenis zitten, alsof u zelf gevangen was. Denk ook aan de mensen die mishandeld worden. Omdat u zelf ook een lichaam hebt, kunt u met hen meevoelen” HB VERT.

Hoe sterk is ons ‘inlevingsvermogen’ in de ellende van anderen? Voor alle duidelijkheid, medelijden is een belangrijk ingrediënt voor ons sociaal-menselijk bestaan. Medelijden mag best een emotie zijn dat ons raakt. Hoe we hiermee omgaan zal sterk afhankelijk zijn van onze eigen normen en waarden. Toen God Kaïn ter verantwoording riep om wat hij zijn broer Abel had aangedaan, reageerde hij met deze woorden: “moet ik soms voor mijn broer zorgen?” GENESIS 4:9 GNB. Deze reactie is veelzeggend, het vertolkt de visie van de gevallen mens op zijn naaste. Moet ik voor mijn naaste zorgen? Ja, dit zijn we aan elkaar verplicht. Doen we dit niet dan onttrekken we ons aan Gods opdracht en zorgen ervoor dat de kloof tussen arm en rijk, ziek en gezond steeds groter wordt. En wat zullen we antwoorden wanneer God ons ter verantwoording roept? Wat zeggen wij…? En wat zegt God:

“Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. Overdenk eens goed wat dit wil zeggen: “Barmhartigheid wil ik, geen offers. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars” MATTHEÜS 9:12-13.

Het woord Eleos

“Barmhartigheid wil ik”, dat is wat God altijd zegt als het om Zijn schepping, als het om ons gaat. Het woord ‘Eleos’ betekent barmhartigheid. Dat wil zeggen, barmhartigheid namens God. Deze barmhartigheid zegt ons dit, ‘God redt en geeft rijkdom’. Wanneer de mens zich verbindt met Gods barmhartigheid dan ontstaat er een drievoudige verbinding.

  • Onderlinge barmhartigheid - maar niet zonder God
  • God redt en geneest - door Jezus Gods zoon
  • Hij deelt met ons geestelijke rijkdom - door de heilige Geest

Wanneer we dit begrijpen krijgt het woord barmhartigheid een diepe impact op ons dagelijks bestaan. Dan geeft de toepassing van dit woord de hedendaagse kerk een heel ander gezicht. Dan bouwen we Gods huis niet tevergeefs. Zie PSALM 127:1. Toen Jezus op aarde Gods liefde verkondigde was dit niets anders dan de letterlijke invulling van het woord ‘Eleos’. In Jezus zien we Gods Barmhartigheid aan de mensen betoond. Dat zien we terug in zijn geboorte, in zijn leven, in zijn sterven en in zijn opstanding. Elk aspect vertegenwoordigt Gods barmhartigheid en laat de kracht van deze drievoudige verbinding zien. Het wil ook zeggen dat God de wereld met Zichzelf wil verzoenen, dat is redden en genezen. Dit zien we terug in de bediening van Jezus.

“Jezus uit Nazaret met de heilige Geest heeft gezalfd en met kracht heeft bekleed. Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond hem bij” HANDELINGEN 10:38.

Zo bewees God ons, die dood waren door de zonde, Zijn barmhartigheid.

“Maar omdat God zo barmhartig is, omdat de liefde die hij voor ons heeft opgevat zo groot is, heeft hij ons, die dood waren door onze zonden, samen met Christus levend gemaakt. Ook u bent nu door zijn genade gered” EFEZIËRS 2:4-5.

Hier leren we dat wij niet langer hoeven te leven onder de macht van de zonde. Jezus heeft die macht van de zonde over ons leven verbroken, door Zelf die straf volledig te ondergaan aan het kruis. We zijn mensen die vrijgesproken zijn door Gods barmhartigheid. Paulus vat dit zo mooi samen wanneer hij ons laat weten:

  • God schenkt vrijspraak aan
  • allen die in Jezus Christus geloven.
  • En er is geen onderscheid.
  • Iedereen heeft gezondigd
  • en ontbeert de nabijheid van God;
  • en iedereen wordt uit genade,
  • die niets kost,
  • door God als een rechtvaardige aangenomen
  • omdat hij ons
  • door Christus Jezus heeft verlost. ROMEINEN 3:22-24.

Zullen we nu nooit meer zondigen? Zijn we nu geprogrammeerde barmhartigheids strijders? Nee, we voelen ons nog steeds aangetrokken tot dingen die een zondig karakter in zich herbergen. We zullen nog heel vaak moeten belijden: “Vergeef ons onze schulden”. Maar het grote verschil is dit, we zijn geen slaven meer van de zonde.

“Door de wet zelf heb ik opgehouden te bestaan voor de wet, om voortaan voor God te leven. Met Christus ben ik immers gekruisigd. Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij. Mijn huidige aardse bestaan leid ik in geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zijn leven voor mij heeft gegeven” GALATEN 2:19-20 GNB.

Deze geweldige conclusie dat Jezus in mij leeft, verbaast me iedere dag. Het is een groot getuigenis van Gods geopenbaarde barmhartigheid in Christus Jezus. Zie ook TITUS 3:5 en 1 PETRUS 1:3.

En hoezeer deze barmhartigheid bij ons hoort wordt duidelijk als we lezen:“Genade, barmhartigheid en vrede zullen bij ons zijn, van God, de Vader, en van Jezus Christus, de Zoon van de Vader, in waarheid en liefde” 2 JOHANNES 3. Zie ook JUDAS VERS 2. Omdat we kinderen van God zijn is het normaal dat barmhartigheid en vrede van ons uit gaat naar die ander. Zonder die barmhartigheid geen vrede. Dit leert ons dat wij, door mee-te-lijden met de wereld om ons heen barmhartigheid namens God tonen. Dat dit dan onderlinge vrede brengt is de normaalste zaak van de wereld.

Een belangrijke vraag is, ‘vinden we onze naaste beklagenswaardig genoeg om met hen mee te lijden, om hen barmhartigheid te bewijzen’. Wanneer God zegt dat wij barmhartigheid moeten bewijzen dan is dit Zijn motivatie:

“U zegt dat u rijk bent, dat u alles hebt wat u wilt en niets meer nodig hebt. U beseft niet hoe ongelukkig u bent, hoe armzalig, berooid, blind en naakt” OPENBARING 3:17.

Hoeveel ervaren we van Gods ontferming, raakt het ons diep van binnen? Met medelijden of ontferming bewogen worden wil Bijbels gezien zeggen, dat je dit diep in je ingewanden voelt, omdat je hun pijn geproefd hebt. (In de Bijbelse tijden werden de ingewanden gezien als de zetel van de gevoelens.)Een paar voorbeelden van die diepe betrokkenheid:

“Er kwam iemand naar hem toe die aan huidvraat leed; hij smeekte hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn knieën viel: ‘Als u wilt, kunt u mij rein maken. Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein” MARCUS 1:40-41.

“Toen hij uit de boot stapte, zag hij een grote menigte en voelde medelijden met hen, omdat ze leken op schapen zonder herder, en hij onderwees hen langdurig” MARCUS 6:34.

Een krachtig voorbeeld van Eleos, (medelijden), zien we terug in de gelijkenis van de verloren zoon. LUCAS 15:20-23. Dit kind voelde zich geen zoon van de vader meer, omdat hij in zonde had geleefd. Maar de vader (beeld van God de Vader) negeert dit volkomen en hersteld het zoonschap van zijn kind door hem een mantel een ring en sandalen te geven. Dit alles moest snel gebeuren zodat de schande van zijn zoon onmiddellijk weggenomen kon worden. Dit alles werd afgesloten met een heerlijk feest. Gaat het zo ook niet bij ons wanneer we tot bekering komen? Want in:

“Zijn liefde had hij van tevoren beslist dat hij ons door Jezus Christus als zijn kinderen zou aannemen. Zo wilde hij het, in zijn goedheid” EFEZIËRS 1:5 GNB.

De blinde man

Wanneer we MARCUS 10:46-52 lezen zien we daar een geweldig optreden van Gods ontferming. Terwijl Jezus op weg was naar Jeruzalem ging Hij door het land Jericho. Daar treffen ze een blinde man genaamd Bartiméus die voor enige opschudding zorgde. Ondanks het feit dat hij door de omstanders afgesnauwd werd, bleef hij roepen en schreeuwde het uit; “Zoon van David heb medelijden met mij”. En op grond van zijn volhardend geloof werd deze man genezen. De kern van zijn roepen was,

‘Heer heb medelijden met mij’.

Wat wist deze man van Jezus en waarom riep hij Jezus aan als zoon van David? Kende hij de Oud Testamentiche geschriften? Zelf lezen kon hij niet, dus moest hij een goede bezoeker van de synagoge zijn geweest. Zo was zijn geroep terug te voeren op wat hij wist over Jezus de zoon van God. Al zijn hoop was op Hem gevestigd en hij liet zich niet zomaar het zwijgen opleggen. Daar was zijn nood te groot voor. Of was de route die Jezus nam de beste plek om te bedelen?

Het kan ook zijn dat hij zich louter liet leiden door de noodzaak om in zijn levensonderhoud te voorzien. Dus een beroep op de barmhartigheid van zijn volksgenoten, is dan heel normaal. In de Hebreeuwse taal heeft het woord barmhartigheid een diepe betekenis. Je zou het kunnen vergelijken met een moeder die haar kind vertroetelt al vóór de geboorte. Dat drukt dus wel een heel diepe verbondenheid uit met dat wat hulpbehoevend is. Wanneer God in Jesaja zegt dat Israël weer in ere hersteld zal worden toont Hij Zijn diepe verbondenheid met Zijn volk.

“Je was een verlaten, wanhopige vrouw toen de HEER je terugriep. Kan iemand de vrouw van zijn jeugd verstoten?– zegt je God. Ik heb je slechts een ogenblik verlaten, maar met open armen zal ik je weer ontvangen” JESAJA 54:6-7.

De bewogenheid van God gaat uit naar wat beschermt moet worden, naar wat niet meer voor zichzelf kan opkomen. Daarom roept Paulus het ook uit: “Dank aan God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader die keer op keer barmhartig is, de God die in elke omstandigheid troost” 2 KORINTIËRS 1:3 GNB. De relatie tussen God en Zijn kinderen is die van een moeder die haar kind verzorgt ook al moet ze dit zelf met de dood bekopen. Toen Mozes op de berg was om Gods geboden in ontvangst te nemen, was daar een stem van de Heer:

“De HEER daalde neer in een wolk, hij kwam naast Mozes staan en riep de naam HEER uit. De HEER ging voor hem langs en riep uit: ‘De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig” EXODUS 34:5-6.

Hier zien we het karakter van God. Hier krijgen we een blik in het genadige Vader hart van God. Toen Israël terug wilde naar de vleespotten van Egypte liet God dit niet toe. Nehemia schrijft ons er dit over:

“Ze weigerden te luisteren en ze vergaten de wonderen die u voor hen verricht had. Koppig stelden ze een nieuwe leider aan, ze wilden weer slaven worden in Egypte. Maar u bent een God van vergeving, genadig en liefdevol, geduldig en zeer trouw: u verliet hen niet” NEHEMIA 9:17.

Gods barmhartigheid wordt vaak in één adem genoemd met Zijn genade. Hoe diep Zijn kinderen ook wegzakken, in ongeloof of zonde, God laat ze niet in de steek. Altijd weer is daar Zijn barmhartigheid. De volgende geschiedenis toont Gods barmhartigheid door alles heen. Door zonde was Gods volk diep weggezonken, andere volken wilden niets van hen weten. Ezechiël schets ons het volgende beeld:

“Niemand deed een van die dingen voor je, niemand keek naar je om, niemand had medelijden met je. Op de dag dat je geboren werd, werd je ergens op een akker achtergelaten, zo weinig waarde werd er aan je leven gehecht. Toen kwam ik voorbij en zag hoe je in je bloed lag te spartelen. Ik zei tegen je, terwijl je onder het bloed zat: “Leef! Blijf in leven, bedekt met bloed als je bent” EZECHIËL 16:5-6.

Hoe diep Gods volk weggezonken was kun je lezen in de VERZEN 15-22. Maar God laat hen niet los.

“Als ik mijn verbond met jou heb gesloten, zul je beseffen dat ik de HEER ben en overdenken wat je gedaan hebt; je zult je schamen, en zwijgen omdat je vernederd bent – maar ik vergeef je alles wat je hebt gedaan. Zo spreekt God, de HEER” VERS 62-63.

Doel van Gods barmhartigheid is:
Het bevorderen van het welzijn van de ander
Hoe de omstandigheden er ook uit zien.

Zo staat in alles Gods barmhartigheid centraal. Lees het Nieuwe Testament er maar op na. Ook daar zien we de zetel van Gods innerlijke ontferming en bewogenheid terug in het offer van Jezus. In heel Gods woord ligt de nadruk op barmhartigheid op het medelijden met de mens ongeacht zijn situatie. Voor de mens die het slachtoffer is geworden van de gevallen schepping zegt God:

“Maar omdat God zo barmhartig is, omdat de liefde die hij voor ons heeft opgevat zo groot is, heeft hij ons, die dood waren door onze zonden, samen met Christus levend gemaakt. Ook u bent nu door zijn genade gered. Hij heeft ons samen met hem uit de dood opgewekt en ons een plaats gegeven in de hemelsferen, in Christus Jezus. Zo zal hij, in de eeuwen die komen, laten zien hoe overweldigend rijk zijn genade is, hoe goed hij voor ons is door Christus Jezus” EFEZIËRS 2:4-7.

Wie Gods Barmhartigheid ervaart moet ook de plicht opvatten om dit te delen met de behoeftige naaste. Deze overdracht van Gods barmhartigheid zal anderen laten zien dat God om hen geeft. Dus is het begrijpelijk dat de blinde man langs de weg zit. En heel gebruikelijk dat wij in onze tijd, moderne bedelaars kennen. Misschien zitten ze er wel om ons opnieuw te leren wat barmhartigheid is. Dit zal de kerk haar oorspronkelijkheid terug geven.

“Tot slot vraag ik u: Wees allen eensgezind, leef met elkaar mee, heb elkaar lief als broeders en zusters, wees barmhartig en bereid de minste te zijn” 1 PETRUS 3:8.

De bedelaar was afhankelijk van genade en zat daar tot iemand iets met hem deelde. Als hij zeker wist dat barmhartigheid niet bestond, was hij al veel eerder in zijn eigen ellende omgekomen. Hij was voor de volle honderd procent aangewezen op de genade van anderen. Zo was hij altijd onderweg en zat te wachten op anderen die ook onderweg waren. Dat was voor hem een volledige baan met een karig bestaan.

Onderweg

Dat een grote menigte Jezus volgde is te verklaren uit het feit wat er allemaal gebeurde. Iedereen wilde weten waar dit op uit liep. Want met deze Jezus naar Jeruzalem gaan dat was best spectaculair te noemen. Waar Jezus verscheen gebeurden dingen die zondermeer bovennatuurlijk waren, en daar moet je niets van missen. Ook bedelaars wisten dat waar veel mensen onderweg waren er altijd wel iemand was die iets kon missen. En omdat blijde mensen vrijgeviger zijn dan verdrietige, zaten ze dus op de goede plek. Ze kunnen hem niet missen want Bartimeüs, hij wordt direct herkend. En iedereen weet over wie het gaat. Want hij had al zo lang naar mensen geroepen die onderweg waren.

En op het moment dat Jezus voorbij komt probeert hij uit alle macht de aandacht van Jezus te trekken. En dat doe je niet door je stil te houden, of zo nu en dan met je centenbakje te schudden. Nee, dan roep je, dan schreeuw je om Zijn aandacht. Dan wil je dat iemand medelijden met je zal hebben.

Zijn specifieke roep om Jezus, de zoon van David, laat zien dat hij op de hoogte was van Zijn komst.

Want hij vraagt nu niet om een aalmoes, maar heel specifiek om ‘heb medelijden met mij’. Zou Bartiméus met zijn blinde ogen in Jezus, de Zoon Gods herkend hebben? Wat blinde mensen voor hebben op ziende, heeft mij al vaak verwonderd. Zij herkennen soms meer van de (on)zichtbare wereld dan de ziende mens.

Ik denk dat deze man durfde te roepen omdat hij Gods wet kende. Zo maakt hij zich niet afhankelijk van mensen, maar van Gods woord, hij zocht de vervulling van de wet op. Hij deed de ander er aan herinneren wat God gezegd had. Hij kende de kleine lettertjes van Gods wet, om de kleine mensen, zieken en werklozen, in hun voortbestaan te voorzien.

“Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en zich niet kan handhaven, moet je hem bijstand verlenen, zoals je ook een vreemdeling zou helpen die bij je te gast is; je mag hem niet laten verkommeren. Toon ontzag voor je God en laat je volksgenoten niet verkommeren. Wanneer je een volksgenoot iets leent, mag je hem vooraf noch achteraf rente vragen. Je mag van hem geen rente vragen als je hem geld leent, en geen winst maken als je hem voedsel geeft” LEVITICUS 25:35-37.

Zijn luid geroep om dit woord te vervullen trof Jezus. Want in zijn roep om ‘genade brood’, zien we de vervulling van de komst van Jezus als zoon van David. Hiermee ‘erkende en herkende’ de blinde Bartimeüs, Jezus als Zoon van God.

Begrijpen we nu dat hij luid schreeuwde om genade? Iedereen mocht het horen en weten dat hij hunkerde naar De Verlosser. Hij had niets te verliezen, hij stond toch al aan de zijkant van het leven. En in zijn roepen herkennen we de roep van een doodsbang kind dat het uitschreeuwt van angst. Van iemand die achterna gezeten wordt door bang makende wezens. Of was het een gelovige uitroep van Abba Vader omdat Bartimeüs de Geest van God ervoer op dat moment? Was hij geestelijk gezien al verder onderweg dan de leerlingen van Jezus? Was zijn roep een vooruitlopen op het komende zoonschap van al Gods kinderen?

“En omdat u zijn kinderen bent, heeft God ons de Geest van zijn Zoon gegeven, die ‘Abba, Vader’ roept” GALATEN 4:6

Was dit de reden dat zijn schreeuw één grote vraag was om medelijden? Was zijn roep naar de altijd onderweg zijnde Jezus een verlangen naar ‘Hemelse aandacht’? Had Bartimeüs genoeg van het aardse medelijden en verlangde hij naar een hemelse invulling hiervan? Verlangde hij dat Jezus tegen hem zou zeggen: “Ga naar huis, naar uw eigen mensen, en vertel hun wat de Heer allemaal voor u heeft gedaan en hoe hij zich over u heeft ontfermd?” MARCUS 5:19.

Hoe zijn wij onderweg?
Wat kunnen wij tegen de mensen zeggen?
Hoe ziet onze boodschap eruit?
Hoeveel hebben wij te verliezen, of te winnen?

“Wie de gave heeft te troosten, moet troosten. Wie iets weggeeft, moet dat zonder bijbedoeling doen. Wie leiding geeft, moet dat doen met volle inzet. Wie barmhartig voor een ander is, moet daarin blijmoedig zijn. Laat uw liefde oprecht zijn. Verafschuw het kwaad en wees het goede toegedaan. Heb elkaar lief met de innige liefde van broeders en zusters en acht de ander hoger dan uzelf” ROMEINEN 12:8-10.

De omgeving

Als je denkt dat de mensen goed zullen reageren op de nood van die blinde man dan vergis je je zeer. Het egoïsme viert ook daar hoogtij. En dat gaat ten koste van mensen die voor onrust zorgen, die de aandacht van Jezus naar zichzelf willen toetrekken. Dus moet Bartimeüs zijn mond houden. En de manier waarop hem dit werd gezegd is liefdeloos en getuigd van geen enkele vorm van medelijden. Zijn roep om, ‘Heer heb medelijden’ werd beloond met een verbale afstraffing. Je kunt het vergelijken met wanneer iemand een zware overtreding heeft begaan.

Wat zou nu de eigenlijke reden zijn geweest dat deze man zijn mond moest houden? En waarom hield hij zijn mond niet na een dergelijke uitbrander? Door nog harder te schreeuwen werden de mensen alleen maar kwader. Ik denk dat ze hem het zwijgen wilden opleggen omdat hij Jezus als “Zoon van David” aanriep. Want hierin ligt de erkenning dat Jezus zoon van God was. En daar ligt het struikelblok. Dit struikelblok stond al vermeld in JESAJA 28:16. Later zegt Paulus er dit van:

“God had hen daar al voor gewaarschuwd. Pas op, zei Hij, Ik leg temidden van de Israëlieten een struikelblok neer, een steen waaraan zij zich zullen stoten. Maar wie op Hem zijn vertrouwen vestigt, zal nooit teleurgesteld worden” ROMEINEN 9:33 HB.

Deze mensen werden zo door de wettische invulling van Gods woord beheerst, dat er geen ruimte was om Jezus als Zoon van God te herkennen. Hoe herkenbaar is dit voor ons? In hoeverre heeft onze omgeving vat op ons, zodat we net zo reageren? Om Jezus ook maar niet te plaatsen in het centrum van ons dagelijks bestaan? Roepen we dan net als Bartimeüs nog harder naar onze omgeving, omdat we weten dat Jezus Heer is. Omdat we tot de overtuiging zijn gekomen dat dit Gods Zoon is. Bartimeüs doet dit in ieder geval wel. Hij weet dat dit de vervulling was van de belofte uit de Oude Schriften. Dus laat hij zich niet het zwijgen opleggen. Of zijn omgeving zich nu ergerde aan hem of niet hij getuigt en erkend Jezus als Heer.

Deze erkenning, dat Jezus Heer is van je leven, kent ook in onze tijd veel strijd. Overal waar je getuigt van Jezus, zal je omgeving je toe snauwen, ‘houd je mond’. Want nog steeds wordt Gods Zoon, als een struikelblok gezien. Waarom, omdat Hij je laat zien dat het leven pas echt waardevol wordt als je Hem gaat dienen. En daar ligt de kern van een eeuwenoude strijd, de strijd tussen goed en kwaad. Een strijd tussen waarheid en leugen. Een strijd tussen God en de satan. Een strijd waar Paulus dit van zegt:

“Ik zeg u dus: laat u leiden door de Geest, dan bent u niet gericht op uw eigen begeerten. Wat wij uit onszelf najagen is in strijd met de Geest, en wat de Geest verlangt is in strijd met onszelf. Het een gaat in tegen het ander, dus u kunt niet doen wat u maar wilt” GALATEN 5:16-17.

Wanneer de geest van God je mag leiden in je dagelijkse levenskeuze, dan krijg je conflicten met je eigen natuur de oude mens en soms ook met je omgeving. Want je weet dan wat je wel en wat je niet moet doen. Dan is daar Dat Struikelblok, het Offer van Jezus Christus, dat je elke dag weer laat zien dat Hij Heer is.

Wat was de keuze van Bartimeüs? Liet hij zich het zwijgen opleggen? Luisterde hij naar zoveel stemmen van niet ‘vernieuwde’ naturen? Nee, hij legde de stem van zijn eigen oude mens en die van anderen het zwijgen op, en schreeuwde des te harder. Zijn schreeuw kunnen we vergelijken met het krijsen van een kind. Die roep is onverstaanbaar, maar de moeder verstaat het en weet dat haar kind hulp, verzorging en troost nodig heeft.

De roep van Bartimeüs is zo doordringend dat zijn omgeving hier wel op moet reageren. Maar zijn omgeving ziet dit niet als een nood van een medemens die om medelijden schreeuwt. Zij hebben hun gevoel van medelijden vervangen door eigenbelang. Daarom herkennen ze de roep van hun naaste niet. Zij verstaan niet dat de roep van Bartimeüs een roep is van Abba Vader, help mij. Dit konden ze ook niet omdat ze zelf de Zoon van Abba Vader, niet erkenden als Heer. Maar Jezus verstaat die roep des te duidelijker, want dat is een roep die beantwoordt aan Zijn komst. Voor die nood is Jezus gekomen en dat zal Hij aan zijn omgeving laten zien.

Hij roept u

Waar Jezus geroepen wordt staat Hij stil. Geen enkele nood blijft onbeantwoord. Het zal altijd, op welke wijze dan ook, de aandacht van Jezus krijgen. Zo geeft Jezus een opdracht aan de ongelovige omstanders om de gelovige blinde tot Hem te brengen. En de geïrriteerde omgeving weet ineens weer wat omzien naar de naast inhoud. Ze worden gedwongen om naar de nood van hun naaste om te zien. En hun boosheid slaat om in welwillendheid en verlenen hem volledige toegang tot Jezus. Ze gaan hem zelfs bemoedigen en begrijpen dat Jezus ‘oog heeft’ voor de blinde ogen van Bartimeüs. En ze bemoedigen hem door te zeggen: “Houd moed, sta op, Hij roept u”.

Eerst wilden ze hem wel dood-kijken, maar nu zeggen ze ‘houd moed’. Moed houden wil hier eigenlijk zeggen, wees maar moedig, heb maar vertrouwen, wees maar gerust. Eigenlijk is dit een oproep om niet te vrezen, om iets te durven doen. Wanneer Paulus spreekt over het verlangen om ‘hemels bekleed’ te worden dan kent hij ook de strijd hierover. En dan kiest hij ervoor om te reageren op de roep van Jezus: “Houd moed, sta op, Hij roept u”.

“Dus wij blijven altijd vol goede moed, ook al weten we dat zolang dit lichaam onze woning is, we ver van de Heer wonen. We leven in vertrouwen op God; wat komen gaat is nog niet zichtbaar. We blijven vol goede moed, ook al zouden we ons lichaam liever verlaten om onze intrek bij de Heer te nemen” 2 KORINTIËRS 5:6-8.

Als Jezus je roept ontstaat er moed, vertrouwen en verlangen om dicht bij Hem te zijn. Wat is de reactie van Bartimeüs? Zegt hij, mijn omgeving zegt, mond houden, het is niet voor jou, jij bent alleen maar tot last. Nee, voor hem is dit einde van alle tegenspraak. En zijn houding laat zien dat hij met alles wat in hem is naar Jezus verlangt. Hij wil niet langer ontkleed, zonder genade van God, door het leven gaan. Nee, hij wil overkleed worden met de volledige genade van God de Vader. Dat was zijn roep, zijn verlangen.

En alles wat hem kan tegenhouden gooit hij van zich af en rent naar Zijn Redder, Verlosser en Genezer. Zijn mantel is hier een beeld van de oude mens, van het wettische leven onder oude regels die hem gevangen hielden in geestelijke en natuurlijke duisternis. Dit oude leven daar wilde hij afstand van nemen, dat mocht hem niet langer in de weg staan. Dit oude leven had hij lang genoeg op sleeptouw gehad. De banden hiermee werden nu verbroken, want de Meester had hem geroepen tot vrijheid van zien in de geestelijke en de natuurlijke wereld. Wat een vrijheid!

“Laat de moed niet zakken, want als u de Here trouw blijft, krijgt u een grote beloning” HEBREEËN 10:35 HB.

Waar loopt de ontmoeting met Jezus op uit, Bartimeüs mag een vraag stellen. Bartimeüs zegt Jezus, wat wil jij dat Ik voor jou zal doen? Dat is niet zo moeilijk, ‘dat ik ziende worde’. Dat ik het vermogen om te zien mag ontvangen. Want dan ben ik niet meer afhankelijk van anderen. Dan kan ik in mijn eigen onderhoud voorzien. Dan kan ik misschien een gezin stichten. Het antwoord van Bartimeüs bevestigd het feit dat hij Jezus in staat achtte, om een bovennatuurlijk wonder te verrichten. Mogelijk had hij van anderen gehoord dat er een Rabbi was die dit kon. Maar zelf gezien had hij dit nog nooit. Dus was hij verplicht om te geloven dat Jezus dit kon. Wat zegt Jezus, “hoe gelukkig zijn zij die geloven zonder te zien” JOHANNES 20:29 GNB.

Geloof gaat beloond worden, altijd en voor iedereen. Bartimeüs had de moed niet laten zakken ondanks alle tegenstand uit zijn directe omgeving. Zijn geloof werd beloond. Voor hem werd het direct zichtbaar en mocht hij zijn Genees Heer in de ogen kijken. Het geloof van deze man liep uit op een zichtbaar bewijs voor zijn eigen blindheid en de blindheid van zijn omgeving. Vriend en vijand konden de wonderwerken zien van God geopenbaard in Zijn Zoon.

Reddend geloof

Maar er was nog een beloning. Ook dit had te maken met het zien van iets, van een eeuwige toekomst. Deze belofte gaf Jezus hem mee, om zijn aardse reis verantwoord te kunnen volbrengen. Jezus zei dit: “Ga heen, uw geloof heeft u gered” MARCUS 10:52. Bartimeüs’ geloof, kent een dubbele betekenis.

Geloof wat hem genas en wat hem redding schonk.

Dat reddende geloof is een persoonlijke keuze. Je ziet nergens in de Bijbel dat het ons wordt opgedrongen. Het is de kans die we krijgen om een ander leven te leiden. Om iets moois van ons leven te maken ondanks het feit dat we in een ‘gevallen schepping’ leven. Is dat hopen op iets wat niet uitkomt? Is dat een overtuiging hebben dat niet bestaat? Nee, dan zou het geloof in Jezus Christus geen aantrekkingskracht hebben op de mensen om ons heen.

“Geloven is zeker zijn van de dingen waar je op hoopt, ervan overtuigd zijn dat wat je niet ziet, toch bestaat” HEBREEËN 11:1 GNB.

Geloven is vertrouwen, is blijven roepen of schreeuwen naar God, net als Bartimeüs. Geloof hebben is de verwezenlijking van de dingen die men hoopt en het bewijs van de dingen die men niet ziet. Want: “We leven in vertrouwen op God, wat komen gaat isnog niet zichtbaar” 2 KORINTIËRS 5:7. Geloof in de Zoon van God, is de sleutel om eens de volledigheid van God te kunnen zien. “Niemand heeft ooit God gezien, maar de enigeZoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vaderrust, heeft hem doen kennen” JOHANNES 1:18.

Maar wat is reddend geloof? Zijn dat regels en voorschriften waar ik aan moet voldoen? Moet ik hiervoor een praktijk examen afleggen? Moet ik geschikt geacht worden door een voorganger van een of andere kerk? Gelukkig niet, stel je voor dan waren we aan de willekeur van mensen overgeleverd. Dan moesten we ons misschien wel aanstellen om genoeg medelijden op te wekken om toegelaten te worden. Nee, niets van dit alles. Reddend geloof is niet afhankelijk van menselijke systemen. Maar wel van onze belijdenis dat Jezus Heer van ons leven is. Het heeft te maken met horen en zien.

“Leef in overeenstemming met het evangelie vanChristus, zodat ik kan horen, of straks zelf kan zien,dat u één van geest bent en samen voor het geloofin het evangelie strijdt” FILIPPENZEN 1:27.

Het geloof heeft te maken met:

  • De naam van Jezus

“Het komt door zijn naam en door het geloof in zijnnaam dat deze man, die u hier voor u ziet en die ukent, kan lopen; het geloof dat Jezus schenkt, heefthem in aanwezigheid van u allen gezond gemaakt” HANDELINGEN 3:16.

  • Het bloed van Christus

“God heeft Christus Jezus gegeven als verzoeningsoffer. Door Zijn bloed zal de mens, wanneer hij gelooft, Gods rechtvaardigheid ontdekken. God heeft namelijk de zonden die eerder gepleegd waren, verdragen om uiteindelijk (in deze tijd) te laten zien hoe rechtvaardig Hij is. Ook als blijkt dat Hij ieder mens, die door geloof bij Jezus hoort, in ere herstelt” ROMEINEN 3:25-26 HB.

  • Geloof in God

“Van u uit plantte de boodschap van de Heer zich voort; niet alleen in Macedonië en Achaje, nee, overal is uw geloof in God de mensen ter ore gekomen. Wij hoeven daarover niemand iets te vertellen” 1 THESSALONICENZEN 1:8 GNB.

“Door geloof komen we tot het inzicht dat de wereld door het woord van God geordend is, dat dus het zichtbare is ontstaan uit het niet-zichtbare (…) Zonder geloof is het onmogelijk God vreugde te geven; wie hem wil naderen moet immers geloven dat hij bestaat, en wie hem zoekt zal door hem worden beloond” HEBREEËN 11:3,6.

  • Vertrouwen in God

“Hoewel alle hoop vervlogen was, bleef Abraham verwachten en geloven dat hij de stamvader van vele volken zou worden (…) Hij klemde zich vast aan de belofte van God. Zijn vertrouwen bleef sterk en hij gaf God alle eer” ROMEINEN 4:18;20 HB.

  • Hoop op God

“Door hem gelooft u in God, die hem uit de dood heeft opgewekt en hem laat delen in zijn luister, zodat uw geloof tevens hoop is op God” 1 PETRUS 1:21.

  • Gods geboden gehoorzamen

“Het is nu wel duidelijk waarom Gods volk niet mag ophouden Gods geboden te gehoorzamen en in Jezus te geloven” OPENBARING 14:12 HB.

Tot slot

Het Evangelie geloven werkt uit dat anderen het kunnen zien en horen. Dat zien we op een geweldige wijze terug bij Bartimeüs. Hij werd genezen en gered, dit had zoveel impact op hem dat niemand hem hoefde aan te moedigen om Jezus te volgen. In het leven van Bartimeüs was Gods medelijden voor mensen zichtbaar aanwezig. Hij hoefde dit niet te verdedigen, iedereen kon zien hoe écht hij genezen was. Door Jezus te volgen kon hij nog veel meer leren van Gods ‘bewogen hart’, voor mensen in nood. Door Jezus te volgen was hij een levend getuigenis dat ‘Goddelijk medelijden’ tot veel meer in staat is dan wij denken.

Heeft Gods bewogen hart ons leven ook veranderd? Zijn we dienende mensen geworden? Daagt het ons voldoende uit om de genade van God, Zijn bewogenheid voor de mens in nood, met anderen te gaan delen? Wat ‘zien en horen’ anderen van óf over ons geloof in Jezus Christus? Worden we tegengehouden door onze overvolle agenda’s? Wat belet ons om te leven: “in overeenstemming met het evangelie vanChristus” FILIPPENZEN 1:27.

Toen Nehemia naar Jeruzalem ging om de muren te herstellen had hij een duidelijk doel voor ogen. Door zijn inzet mocht het volk ervaren dat God medelijden toonde voor hun situatie. Nehemia leefde in overeenstemming met Gods woord. Zijn getuigenis kende drie doelen.

  • Het Woord van God.
  • Het volk van God.
  • De stad van God.

Door het woord van God te kennen kon hij visie en leiderschap ontwikkelen. Door leiderschap kon hij met Gods woord het volk dienen. Door dienstbaarheid was hij in staat om een heel volk aan te sturen om samen de stad te herstellen. Door kennis van het Woord kon hij het volk van God onderwijzen, hierdoor ontstond een gezonde samenwerking om de stad van de Grote Koning te herbouwen.

“Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet die bevrijding geeft, en dat blijft doen, wie niet vergeet wat hij hoort, maar het in praktijk brengt die zal gelukkig zijn in wat hij doet” JAKOBUS 1:25 GNB.

Ik wens je een fijne dag, Fred IJzerman