Ik denk dat we er allemaal wel eens mee te maken hebben gehad, dat je op iemand wilt of wilde lijken. Zo is het begrip idool ontstaan. Een idool is een bekend persoon waar je mee dweept of waar je naar opkijkt. De term idool kan gebruikt worden in verband met popartiesten, leiders van bepaalde religieuze stromingen of martelaren, maar ook voor autoritaire leiders van dictaturen. Zo kunnen wij van mensen idolen maken die we al heel snel verafgoden omdat wij hen geweldig vinden. Er zijn in de geschiedenis heel wat idolen ontstaan en een aantal van hen zijn uitgegroeid tot afgodsbeelden die de betekenis van een god hebben gekregen. Zulke afgoden en idolen, maar ook voorwerpen worden aanbeden als een ware godheid.

Wie is aan God gelijk, is een interessante vraag. Want op wie je ook wilt lijken in uiterlijk vertoon, gedrag of kleding je zult altijd een zelfgemaakte kopie van die ander zijn. Ook zul je elke dag je uiterste best moeten doen om op die ander te gaan lijken. Maar als je op God wilt lijken, welke voorbeelden mag je dan gebruiken? En is het dan een kwestie van uiterlijk vertoon of van een innerlijk beeld dat je van God kunt dragen? We kunnen heel wat vragen bedenken als het gaat om; ‘Wie is aan God gelijk’? Laat dit antwoord duidelijk zijn; ‘Niemand van ons zal in dit leven aan God gelijk zijn, maar wel hebben we de mogelijkheid om op Hem te gaan lijken’!

“Wees op uw hoede en laat u niet meeslepen door holle en misleidende theorieën die op menselijke tradities zijn gebaseerd en zich richten op de machten van de wereld en niet op Christus. Want in hem is de goddelijke volheid lichamelijk aanwezig, en omdat u één bent met hem, het hoofd van alle machten en krachten, bent ook u van die volheid vervuld. In hem bent u ook besneden, niet door mensenhanden, maar met de besnijdenis van Christus, door het afleggen van het aardse lichaam” KOLOSSENZEN 2:8-11.

Toen Paulus dit schreef waarschuwde hij de christenen voor afgoden en idolen. Hij keerde zich tegen de filosofen met hun filosofieën die hun basis kenden in uiterlijk vertoon, menselijke gedachten en spirituele ervaringen. Hij veroordeelt deze filosofen niet maar wel hun leer, want hun ideeën brachten de mensen niet bij God en Jezus. Paulus trekt ten strijde tegen elke valse leerstelling, en biedt weerstand tegen dwaalleraars. Want wie op God wil lijken moet zich richten op de woorden van Jezus als hét fundament van zijn of haar geloof. En dan gaat het om zaken zoals hij hierboven beschrijft.

De kern van Paulus’ betoog is, dat ons gelijk zijn aan God haar oorsprong vindt in en door het levende Woord van God. Want Gods wezen wordt belichaamd in Jezus Christus en nergens anders in. Zie JOHANNES 1:18. Alleen door Hem zullen vragen beantwoord kunnen worden zoals; ‘Wat is de werkelijke reden van ons bestaan’ of ‘ wat is de zin van het leven’?

De invulling van ons verlangen om op God te lijken zullen we nooit kunnen vinden in uiterlijk vertoon, maar wel in wat Paulus aan ons schrijft; “In hem bent u ook besneden, niet door mensenhanden, maar met de besnijdenis van Christus, door het afleggen van het aardse lichaam” VERS 11.

Het afleggen van het aardse lichaam zal ons veranderen. Zie COLOSSENZEN 3:12; EFEZIËRS 4:21-25. Het zal een ‘Beschaving van Boven’ in ons openbaren, wat bepalend is voor op Wie wij gaan lijken. Het zal alles te maken hebben met onze toewijding aan God. Want als die toewijding er is zal er een ‘ander leven’ in onze geest, ziel en lichaam zichtbaar worden. Dan zal er langzaam maar zeker plaats worden gemaakt voor Gods Beeld in ons want; “Hij heeft altijd geweten wie Hem zouden liefhebben. En Hij bepaalde ook dat die mensen Zijn Zoon zouden weerspiegelen” ROMEINEN 8:29 HB. Het woord weerspiegelen wil zeggen; ‘Dan ben je een weergave van Gods karakter’ en dat is iets anders dan een kopie van iemand zijn. De vraag die overblijft is deze; ‘weerspiegelen wij het beeld van Christus’? Doen we daar ons best voor? En wat willen we hiervoor afleggen?

Tot slot schrijft Paulus ons het volgende: “Maar nu bent u een nieuwe mens, die nog steeds groeit en God beter leert kennen. Zo zult u meer en meer gaan lijken op God, Die u heeft gemaakt” COLOSSENZEN 3:10 HB.

Voor meer studie

Maandag

2 Timotheüs 2:19

Die de naam van de Heer noemt

Dinsdag

Exodus 15:11

Wie onder de goden is uw gelijke

Woensdag

Jesaja 53:3

Een man die het lijden kende

Donderdag

Kolossenzen 2:11

Door het afleggen van het aardse

Vrijdag

Hebreeën 9:27-28

Om de zonden van velen te dragen

Zaterdag

Marcus 13:32-33

Niemand weet wanneer die dag

Zondag

Job 1:20-22

Maakte hij God geen enkel verwijt

Maandag

Johannes 5:24

Wordt geen oordeel uitgesproken

Ik wens je een fijne dag, Fred