Afhouding van het Avondmaal

Dit is een gevoelig onderdeel in onze studie over het Avondmaal. Er zijn verschillende opvattingen in de diverse gemeenten, van zeer streng tot zeer tolerant. Daarom is het goed om hier zorgvuldig bij stil te staan.

Inhoud:

  • Een gevoelig punt
  • Wat zegt het Nieuwe Testament
  • Een modelgemeente
  • Blijde Boodschap

Een gevoelig punt

Wanneer we iemand het Avondmaal weigeren, dan moeten we wel met een goede reden komen. En als er een gegronde reden is, dan valt het mogelijk ook onder het onderwerp van ‘gemeente tucht’. Want als iemand écht niet wil luisteren, dan mogen we hem of haar buiten de ‘gemeenschap van God’ plaatsen wat tevens inhoudt, dat deelname aan het Avondmaal onmogelijk is geworden. Paulus sluit zijn advies over misstanden in de gemeente af met de volgende woorden:

“Maar binnen de gemeente geldt: Verwijder wie kwaad doet uit uw midden” 1 CORINTHIËRS 5:13.

Voordat we op het eigenlijke feit ingaan, wil ik eerst even kijken wat ons MATTHÉÜS 28:19-20a te zeggen heeft. Dat is een vers uit het bekende ‘zendingsbevel’ door Jezus zelf uitgesproken. En daar staan een paar interessante dingen in, die ons kunnen helpen om goed over dit tere onderwerp na te denken. “Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb”. 

In dit vers gaat het om drie hoofdzaken:

  • Maak alle volken tot mijn leerlingen
  • Door hen te dopen
  • En hun te leren (…) alles wat ik jullie opgedragen heb

Bij het derde punt wil ik even stil staan, want dit biedt een goede opening voor onze zienswijze rond het ‘afhoudings proces’. Letterlijk staat er: “lerende hen in acht te nemen alles wat Ik u heb opgedragen”. In acht nemen heeft te maken met het ‘naleven van’.

De discipelen moesten anderen onderwijzen, om alles wat Jezus geleerd had in acht te nemen en na te leven. Dat was, ‘hun opdracht’. Het Griekse woord (in dit vers) voor opdragen (en-tellomai) betekent; ‘bevelen of gebieden’. Deze opdrachten zijn meestal niet eenmalig van karakter, maar ze kennen vaak een langdurige geldigheid. Zoals het eren van je ouders of het liefhebben van elkaar. Vgl. MARCUS 14:4; JOHANNES 15:17.

Een discipel van Jezus zal het geleerde, weer doorgeven aan anderen, die het op hun beurt weer doorgeven, enz. Zo kan het Evangelie zich verspreiden.

Alles wat wij moeten leren en onderhouden in de context van het ‘zendingsbevel’, hoort bij het Nieuwe Verbond. Dat haalt Paulus ook aan:

“Wat ik u hierover al eerder heb verteld, heb ik van de Here ontvangen. In de nacht dat de Here Jezus werd verraden, nam Hij een brood, dankte God ervoor en zei: ‘Dit is mijn lichaam, dat Ik voor u geef. Eet het geregeld als een herinnering aan Mij.’ Na het eten nam Hij ook de beker en zei: ‘Deze beker is het nieuwe verbond, dat wordt bekrachtigd met mijn bloed. Drink die geregeld als een herinnering aan Mij.’ Want telkens als u van dit brood eet en uit de beker drinkt, bevestigt u daarmee dat de Here gestorven is. Doe dit tot Hij terugkomt1 CORINTHIËRS 11:23-26 HET BOEK VERT.

De opdracht om het Avondmaal te vieren, valt dus onder het zendingsbevel. Jezus zegt in LUCAS 22:19: “Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken”. Het is dus een langdurige opdracht met een blijvende geldigheid. Wat hier opvalt is dat ‘de opdracht’ aan de discipelen gegeven wordt en niet aan hen die zich speciaal voor dergelijke taken kunnen bekwamen. In HANDELINGEN 2:41-42 zien we hoe dit zendingsbevel in vervulling gaat.

“Degenen die zijn woorden aanvaardden, lieten zich dopen; op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drieduizend. Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed”.

Er was verkondiging, mensen lieten zich dopen, er was onderwijs, er werd gebeden en het Avondmaal gevierd. Wat ons opvalt, is dat onderwijs en het breken van het brood, het Avondmaal, hier in één adem genoemd wordt. Het Avondmaal hoort dus heel wezenlijk bij het samenkomen van de gelovigen in Jezus Naam. Het vervult een ‘belangrijke functie’ binnen het koninkrijk van God, de gemeente. Want het spreekt van de diepe realiteit van het sterven en opstaan van Jezus Christus. (hierover later meer)

Nu zullen sommigen zeggen: wat heeft dit nou te maken met het afhouden van het Avondmaal. Wel, heel veel. Het kon wel eens dé sleutel zijn waardoor we dit onderwerp goed gaan begrijpen. We hebben net gezien dat het Avondmaal een wezenlijk onderdeel vormt van het zendingsbevel, om de gelovigen te betrekken én te confronteren met Jezus ‘dood en opstanding’. Kennelijk is dit noodzakelijk voor de christenen. Want een christen die de waarde, de diepte van Zijn offer uit het oog verliest, valt heel gemakkelijk terug in de wereld van de zonde. Daarom zegt Jezus ook; “doe dit om je te herinneren aan wat Ik voor jou gedaan heb”.

Laten we ons nu eens wat dieper bezighouden met de vraag; of wij mensen mogen afhouden van het Avondmaal. Natuurlijk zijn er duidelijke gevallen dat we iemand de toegang tot de ‘tafel van de Heer’ moeten ontzeggen, vanwege zijn of haar zondige gedrag. Maar toch wordt er in het Nieuwe Testament weinig over dit onderwerp gesproken. De evangelisten spreken over het Avondmaal en in de Handelingen brief zien we, dat de gemeente te Jeruzalem het gewoon aan huis vierden. En ook Johannes (HOOFDSTUK 6) spreekt over “het brood des levens”. Dit gaat weliswaar niet direct over het Avondmaal, maar is toch een duidelijke verwijzing naar dit gebeuren is.

Dat er niet zoveel over het afhouden van het Avondmaal gesproken wordt, wil niet zeggen dat het niet belangrijk is.

Het betekent ook niet dat de eerste christen gemeente het niet zo vaak gevierd hebben, omdat ze bang waren voor ongeoorloofde deelname. De Bijbel laat duidelijk zien dat het veel vaker gevierd werd dan de meesten van ons gewend zijn. “Zij waren elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis” HANDELINGEN 2:46.

Voor het vieren van het Avondmaal, zijn er bijna geen aan regels gebonden voorschriften gegeven. Ik denk dat voorschriften voor afhouding van het Avondmaal, een groot struikelblok kunnen zijn voor de ‘juiste beleving’ ervan. Voorschriften door mensen bedacht, beperken altijd ons zicht op de échte beleving van wat de Here God ons gegeven heeft, in de viering van het Avondmaal. Zo zijn er in de loop van de kerkelijke geschiedenis heel wat regels ontstaan. Regels die ons eerder ‘verder verwijderen’ van Gods genade, dan ons er dichter bijbrengen. En dat valt zeker ook bij de Avondmaalsviering te bespeuren.

De angst voor ontheiliging, (het deelnemen door onwaardige gelovigen) heeft er toe geleid, dat er allerlei regels zijn opgesteld om deel te mogen nemen. Deze angst werd meestal gevoed vanuit een onbijbels sacramenteel denken. Zo waren er; leeftijdsgrenzen, of je wel bij hetzelfde kerkgenootschap behoorde, een verwijsbriefje om in een andere gemeente het Avondmaal te vieren, enz. De enige goede reden die ik mij kan bedenken is; dat het Bijbels verantwoord is om iemand het Avondmaal te ontzeggen, als er sprake is van een zondig leven wat niet corrigeerbaar is. Lees vooral MATTHÉÜS 18:15-20. En dan is de afhouding tevens het begin van een tucht procedure.

Wat zegt het Nieuwe Testament

We hebben al gezien dat het Avondmaal ons duidelijk bepaald bij het offer van Jezus Christus, bij Zijn verzoenend bloed. En door het Avondmaal te vieren, blijven we zicht houden op wat Hij voor ons gedaan heeft. Wat bewerkt dit?

Wel, als onze relatie met God de Vader verstoord is door zondig gedrag, dan zegt de viering van het Avondmaal ons telkens weer; ‘Mijn lichaam is verbroken voor jou, Mijn bloed heeft gevloeid voor jou zonden’. En dat kan er toe leiden, dat de gelovige, omdat hij of zij met dat offer van Jezus geconfronteerd wordt, tot belijdenis van zonden komt en het in orde maakt met God en/of met zijn of haar naaste. Zo heeft de Avondmaalsviering een ‘reinigende en heiligende’ invloed op de gelovigen. Dit bedoelde Jezus toen Hij zei: “doe dit tot Mijn gedachtenis”, want het verbindt ons met Zijn offer. Zie LUCAS 22:19.

Als we iemand afhouden van het Avondmaal, dan onthouden we hen van het ‘meest essentiële’ wat nodig is om tot belijdenis van zonden te komen. Begrijp me goed, natuurlijk zijn er situaties waar je iemand de toegang, tot ‘de tafel van de Heer’ moet ontzeggen. Gods woord zegt;

“Laat daarom iedereen zichzelf eerst toetsen voordat hij van het brood eet en uit de beker drinkt” 1 CORINTHIËRS 11:28.

Dit beproeven houdt het volgende in. Voordat je gaat deelnemen aan het Avondmaal, moet je je afvragen, of je in de juiste relatie staat tot Christus en Zijn gemeente, maar ook je (ongelovige) naaste. Dit zelfonderzoek vraagt de bereidheid om jezelf met de volgende vraag te confronteren. ‘Heb ik voldoende respect en liefde voor God en Zijn gemeente, die door Jezus’ dood en opstanding zijn samengevoegd’.

Het Griekse woord voor ‘beproeven’ in bovenstaand vers is ‘dokimazo’ en dat betekent ‘onderzoeken, toetsen, op de proef stellen’. Het gaat er dus om dat je door toetsing vaststelt hoe het er met jezelf voorstaat, om zo te ontdekken of je wel kunt deelnemen aan de Avondmaalsviering. Als voorbeeld kunnen we denken aan:

“Onderzoek bij uzelf of u vast op God vertrouwt, stel uzelf op de proef. U weet toch van uzelf dat Jezus Christus in u is? Als dat niet zo is, dan hebt u de proef niet doorstaan” 2 CORINTHIËRS 13:5.

Het beproeven van onszelf is zeer noodzakelijk, omdat we dagelijks met velerlei verleidingen te maken hebben. Verleiding en verzoeking zijn woorden die veel met elkaar te maken hebben, en in het kader van ‘een ieder beproeve zichzelf’ is het goed om er even bij stil te staan.

Het woord ‘verzoeking’ heeft in het oud Nederlands, oorspronkelijk een neutrale kleur en kon gebruikt worden om elke test, toets of proef te beschrijven, of het nu goed of kwaad bedoeld was. Zo lezen we in de Statenvertaling van 1637 in GENESIS 22:1 dat God ‘Abraham verzocht’, betreffende het offeren van Isaäk. Dit betekent dat God hem op de proef stelde, zoals ook nieuwere vertalingen het weergeven. Zo wordt het ook bedoeld in 2 CORINTHIËRS 13:5, en dan wel in gunstige zin.

Het woord ‘verzoeken’ heeft in de loop der tijd een meer onheilspellende betekenis gekregen. Het wordt dan gebruikt in de betekenis van ‘verleiden’, of een ‘aandrang’ om kwaad te doen. Toch is het idee van beproeving nog wel aanwezig, want hoewel satan ons verleid om het verkeerde te doen, is het toch God die dit toelaat met de bedoeling, dat we er sterker door zullen worden. Daarom zegt Jakobus:

“Het moet u tot grote blijdschap stemmen, broeders en zusters, als u allerlei beproevingen ondergaat (…)  Gelukkig is de mens die in de beproeving staande blijft. Want wie de proef doorstaat, ontvangt als lauwerkrans het leven, zoals God heeft beloofd aan iedereen die hem liefheeft” JAKOBUS 1:2 en 12.

Soms komt ‘de verleider’ persoonlijk naar ons toe, zoals bij Eva in het paradijs en bij Jezus toen Hij door de duivel verzocht werd. Maar de verleiding komt ook wel door derden. Zo kwam Adam ten val, mede door de invloed van zijn eigen vrouw. En Jezus herkende de stem van satan, toen één van Zijn beste vrienden iets voorstelde. Zie MATTHÉÜS 16:22-23. Soms komt de verleiding van binnen uit; ‘voortkomend uit de zuiging en verlokking van de eigen begeerten’. Zie JAKOBUS 1:13-15. En soms worden we verzocht door de duivel zelf, andere keren door de wereld of door het eigen gedachteleven.

We moeten goed onthouden dat een confrontatie met een verleiding op zichzelf geen zonde is, want anders zou Jezus niet verzocht zijn. Vgl. HEBREEËN 4:15. De zonde ligt in het toegeven áán verleiding. Luther eens zei: ‘Je kunt niet verhinderen dat de vogels boven je hoofd vliegen, maar je kunt wèl verhinderen dat ze een nest in je haar bouwen’. Een verzoeking of beproeving kan goed voor ons zijn. Het kan ons sterker maken en ons gereed maken om een grotere verantwoordelijkheid te dragen. Petrus zegt hier over:

“Verheug u hierover, ook al moet u nu tot uw verdriet nog een korte tijd allerlei beproevingen verduren. Zo kan de echtheid blijken van uw geloof – zoveel kostbaarder dan vergankelijk goud, dat toch ook in het vuur wordt getoetst – en zo verwerft u lof, eer en roem wanneer Jezus Christus zich zal openbaren” 1 PETRUS 1:6-7.

God zal nooit toelaten dat de verzoeking zwaarder wordt dan we dragen kunnen. Hij zal altijd uitkomst geven want: “U hebt geen beproevingen te doorstaan die niet voor mensen te dragen zijn. God is trouw en zal niet toestaan dat u boven uw krachten wordt beproefd: hij geeft u mét de beproeving ook de uitweg, zodat u haar kunt doorstaan” 1 CORINTHIËRS 10:13.

De verantwoordelijkheid voor deelname aan het Avondmaal ligt altijd in de eerste plaats bij de gelovigen zelf. Wij moeten leren ons zelf te beoordelen, of te beproeven. In sommige kerken of gemeenten krijg je die kans niet. Dan wordt je al van te voren door anderen beoordeeld, en zo van het Avondmaal afgehouden.

In de meeste kerken is het afhouden van het Avondmaal altijd een begin van censuur of een tuchtmaatregel (de liturgie der Gerf. kerken). Veel mensen zijn zo vertrouwd geraakt met wat ‘de kerk’ leert, dat ze zich niet eens meer de vraag stellen, waar dit vandaan komt en of het wel Bijbels is. Ze gaan er eigenlijk als vanzelfsprekend vanuit; ‘het zal wel Bijbels zijn’. Maar als we de Bijbel erop nalezen komen we tot de verrassende ontdekking dat er nergens verzen over te vinden zijn.

Natuurlijk, en dat is al eerder gezegd, moet je die mensen uit je midden weg doen die niet bereid zijn om naar Bijbelse maatstaven te leven. En dat betekent dan ook; geen deelname aan de Avondmaalsviering. 1 CORINTHIËRS 5:13. Maar we komen nergens de ontzegging van het avondmaal als een aparte, op zichzelf staande censuur maatregel tegen. We vinden wél gegevens die erop wijzen dat deze praktijk afwijkt van wat Gods woord ons leert.

Een modelgemeente

Wanneer we de gemeente van Corinthe als ‘modelgemeente’ zouden nemen voor onze visie op dit onderwerp, dan komen we tot verrassende inzichten. In deze gemeente gebeurden er allerlei zonden, die in onze ogen, zeer zeker een goede basis zouden vormen om hen collectief het Avondmaal te ontzeggen. In deze gemeente was er nogal wat mis, ze hadden veel invloeden van hun heidense en zondige praktijken nog niet afgelegd. Je zou je haast afvragen of ze wel waren wedergeboren. Als we de hoofdstukken 10 en 11 lezen dan zien we, dat Paulus de vinger legt, bij een aantal misverstanden aangaande de Avondmaalsviering.

Als we ergens in de Bijbel een aanwijzing zouden mogen verwachten over de ‘afhouding van het Avondmaal’, dan toch zeker hier wel. Want in deze gemeente zat heel wat scheef, en het ging zeker niet om kleine dingen. Paulus vindt hun gedrag erger dan wat er onder de heidenen gebeurde: “Het is algemeen bekend dat er een geval van ontucht bij u is dat zelfs bij de heidenen niet voorkomt” 1 CORINTHIËRS 5:1. Het zondige gedrag in die gemeente deed de kerk op haar grondvesten schudden. En het zou voor alle kerken overduidelijk zijn; deze mensen moeten we verhinderen om het Avondmaal te vieren.

Wanneer we JOHANNES 2:25 lezen, dan zien we dat Jezus een bijzondere mensen kennis had. “Niemand hoefde hem iets over de mens te vertellen, want hij wist zelf wat er in een mens omgaat”. Hij weet uit Zichzelf wat er in de mens leeft. Hij kan de mens tot in alle details doorgronden.

Deze ‘alwetendheid’ vinden we ook bij God de Vader. In het Oude Testament wordt op verschillende plaatsen gezegd dat God, ‘het innerlijk van de mens doorziet’. Zie 1 SAMUËL 16:7; PSALM 44:22.

“Ik, de HEER, ben het die het hart doorgrondt, die nieren toetst, die ieder naar zijn levenswandel beloont, aan ieder geeft wat hij verdient” JEREMIA 17:10.  

Ondanks dit ‘kennen van de mens’ ontzegt Jezus niemand het avondmaal. Ook zijn discipelen niet. Ondanks dat ze Hem verlieten bij de kruisiging en ongeloof hadden en twijfelden aan Zijn opstanding.  

En als ik nogmaals aan het zendingsbevel denk, dan ben ik Hem ontzettend dankbaar dat daar ook het Avondmaal bij hoort. Hij draagt het ons op om het te vieren. En dat, ondanks het feit dat Jezus weet wat er allemaal in onze harten, ons binnenste omgaat. Hij zegt; vier het maar zo vaak jullie bij elkaar komen, als een herinnering aan wat Ik voor jullie gedaan heb. Want Hij heeft: “in Zijn lichaam onze zonden het kruishout op gedragen, opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven. Door zijn striemen bent u genezen” 1 PETRUS 2:24.

Zo werd Paulus ook geconfronteerd met ‘wat in de mens was’ dat komt hij wel overduidelijk tegen in de gemeente van Corinthe. Daar waren partijschappen en scheuringen. Zie 1 CORINTHIËRS 1:11 en 3:3. Dat openbaarde zich zelfs, tijdens de Avondmaalsviering. Zie 1 CORINTHIËRS 11:18-19. Inveel kerken zouden dergelijke mensen niet deel mogen nemen. Men zou op zijn minst het hele Avondmaal moeten afgelasten. Maar daar horen we Paulus niet over spreken, met geen woord.

Wat God ons hier wil leren is, dat ‘tuchtmaatregels’ niet ten kostte van het Avondmaal moeten worden uitgespeeld, dat is niet Bijbels. Gods woord geeft daar andere regels voor. De Herders moeten toezien, vermanen, onder vier ogen spreken, enz.

Er was in de gemeente van Corinthe heel wat mis. Iemand leefde met de vrouw van zijn vader. Zie 1 CORINTHIËRS 5:1. Van hem zegt Paulus, dat hij buiten de gemeente gesloten moet worden, VERS 2 en 13. Verder was er hoererij in de gemeente, VERS 6:16,18. Dit gebeurde allemaal openlijk, men zag daar blijkbaar geen kwaad in. Wij zouden deze mensen onmiddellijk het Avondmaal ontzeggen, maar Paulus maakt niet de geringste suggestie in die richting.

Ook was er sprake van ketterij, verkondiging van onbijbelse waarheden, een zeer fundamentele aangelegenheid. Want sommigen loochenden de opstanding uit de doden. Zie 1 CORINTHIËRS 15:12. Door dit te zeggen komt het geloof in Jezus Christus op losse schroeven te staan, vers 16-19. Maar ook hier geen enkel woord over het feit dat deze mensen niet mogen deelnemen aan de tafel van de Heer.

Maar Paulus wijst wel naar wat niet deugt, en geeft aan wat er veranderen moet! Hij maakt die gemeenteleden nergens het verwijt van; ‘jullie laten partijschappen, scheurmakers, hoereerders en Woord loochenaars toe aan het Avondmaal. Dat is toch wel heel opvallend!

Paulus kende blijkbaar geen angst voor de vraag wie aan het Avondmaal mochten deelnemen. Wij zouden dat afkeuren met de gedachte; als dit allemaal mag, waar blijven we dan? Mag dan alles maar tegenwoordig?

Wij zouden het onverantwoord vinden, als een bekende voorganger in een veel gelezen christelijk Tijdschrift, een artikel zou schrijven over dit probleem, en geen woord zou wijden aan de noodzaak van afhouding van het Avondmaal.

Daarom is het verstandig om ons af te vragen, waar komt deze reactie vandaan? Waar liggen de wortels voor dergelijke gedachten? Waarom zouden wij het anders moeten doen dan Paulus? Had hij minder moeite met de zonde dan wij? Vindt hij overspel dan niet zo erg? Natuurlijk wel, ook hij heeft een grote afschuw van de zonde, dat laat hij overduidelijk weten. Aan de kerken schrijft hij:

“Mijd de begeerten van de jeugd, streef naar rechtvaardigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer met een zuiver hart aanroepen. Verwerp dwaze en onzinnige speculaties; je weet dat ze tot ruzie leiden” 2 TIMÓTHEÜS 2:22-23.

“Laat dus wat aards in u is afsterven: ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten en ook hebzucht – hebzucht is afgoderij –, want om deze dingen treft Gods toorn degenen die hem ongehoorzaam zijn.” KOLOSSENZEN 3:5-6.

Voor dergelijke zondaars geeft Paulus een heel ander advies. Vgl. 1 CORINTHIËRS 5:1-13. Hij spreekt niet over afhouding van het Avondmaal, maar over het ‘buiten de gemeente’ plaatsen van dergelijk mensen. Als we alles zouden nalezen wat hij schrijft in zijn brieven, komen we tot de conclusie dat hij de zonde heel erg vindt. En wel zo erg dat hij zegt; om dergelijke mensen, als ze niet willen luisteren, hen over te leveren aan de satan. Vgl. 1 CORINTHIËRS 5:1-5; 1 TIMOTHEÜS 1:19-20.

Het ‘buitensluiten’ van zondige gemeenteleden, wordt in onze tijd niet zoveel meer gepraktiseerd. Vinden we dit misschien niet meer passen in onze tijd? Hebben we onze theologie betreffende dit onderwerp aangepast omdat we dit ‘te resoluut’ vinden. Op zich zeker de moeite waard om hier eens bij stil te staan.

In onze religieuze beleving speelt het ‘ontheiligen van het Avondmaal’, kennelijk een grotere rol, dan consequent de zondaar buiten de gemeente te plaatsen. Voor alle duidelijkheid, in het Nieuwe Testament komen we nergens tegen, dat het Avondmaal, zoals Christus dat heeft ingesteld, zou kunnen worden ontheiligd. Daarom ontbreekt ook elke waarschuwing over dit feit tenminste, ik ben het nog niet tegen gekomen. Onze angst voor ‘ontheiliging’ is een erfenis van het sacramentalisme uit de oude mysterie religies.

Wat opvalt is dat we wel spreken over het ontheiligen van het Avondmaal, maar weinig of nooit over ontheiliging van; de gemeente of van het woord van God. Het Avondmaal past naar mijn overtuiging, niet in een sfeer van religieuze heiligheid. We hoeven het niet te vieren onder een soort hoogspanning. Het is een Bijbelse beleving, een nuchtere kijk op wat de Here Jezus voor ons gedaan heeft. Het is geen super religieuze gebeurtenis.

Blijde Boodschap

Het feit dat het Avondmaal een ‘zichtbare’ evangelie verkondiging is, maakt het niet heiliger dan de ‘hoorbare’ prediking. Beide hebben ze een heel belangrijke functie voor de gelovigen. Door het Woord worden we opgebouwd en door het Avondmaal onderhouden we onze relatie met God op basis van het kruis van Christus. Zo moeten opbouw, geestelijke groei, en relatie door het kruis steeds centraal staan wanneer gelovigen in Jezus naam samenkomen.

We zagen al dat het afhouden van het avondmaal niet in de Bijbel voorkomt. En zolang iemand als lid van de gemeente aanvaard kan worden, heeft niemand het recht om mensen de toegang tot de Avondmaalsviering te ontzeggen. Nu kunnen we ons afvragen, doet het er dan niets meer toe wie deelneemt? Kan dan iedereen maar deelnemen zonder onderscheid? Mag je deelnemen zonder rekening met God te houden? Nee, natuurlijk niet! Het Avondmaal is geen gezellig religieus onderonsje. Het gaat om Christus, dit kunnen we niet genoeg benadrukken.

Iemand die niet in Christus geïnteresseerd is, zal ook geen behoefte hebben om het te vieren. Zulke mensen houden zich in de meeste gevallen wel afzijdig. Daar ligt dan ook een belangrijke taak voor de voorganger om uit te leggen wat het Avondmaal inhoud. Door deze uitleg ontstaat er in ieder geval een scheiding tussen hen die wel en hen die niet zullen deelnemen.

Het kan ook zijn als de prediking duidelijk maakt dat God van alle mensen houdt en hun de zonden wil vergeven, dat iemand zijn leven aan God geeft tijdens de samenkomst. En dan kan, ‘die wedergeboren mens’, gelijk deelnemen aan het volbrachte werk van Jezus Christus, door samen met zijn geestelijke familie het Brood te breken en de Beker te drinken, dit als zichtbaar teken dat de ‘Blijde Boodschap’, nieuw leven gebracht heeft. Geweldig toch!

Het zou wel eens kunnen zijn dat wij, rekening houdend met wat de Bijbel zegt over de zonde, goddeloze gemeente leden veel te lang tolereren binnen de gemeente. En dat we dan problemen krijgen met de manier van ‘hun’ Avondmaalsviering. Dat is beslist geen positief getuigenis. Want dergelijke mensen stralen door hun houding geen ‘zichtbare relatie’ uit met God de Vader. En dat lossen we dan ook niet op door hen van het Avondmaal af te houden. We zullen daarvoor andere richtlijnen moeten hanteren, zoals het vermanen en terechtwijzen. Maar ook, het in de gemeente openbaar maken, of in het laatste geval uitsluiting van de gemeente. Zie 1 CORINTHIËRS 5.

In de volgende studie zullen we stilstaan bij, De zelfbeproeving.

Ik wens je Gods zegen