De Bijbel kent geen Sacramenten

Het is belangrijk om te realiseren, dat het woord ‘geheimenis’, wel in het Nieuwe Testament voorkomt. Alleen is de vraag, ‘hoe en in welk’ verband.

Inhoud:

  • Het woord geheimenis
  • Ontzag voor het sacrament
  • Bediening en sacrament
  • Enkele voorbeelden

Het woord geheimenis

Het woord komt 28 keer voor, en op zich is het een fascinerend woord. Het is de vertaling van het Griekse woord ‘musterion’. Het houdt verband met het werkwoord ‘muo’, wat betekent: ‘de ogen of de mond dichtdoen. In de heidense religies doelde het op een ‘geheime leer’ die alleen aan ingewijden meegedeeld werd. Dit was in de verschillende Griekse mysteriegodsdiensten een heel belangrijk feit.

In het Nieuwe Testament echter, spreekt het van een geheim (het reddende evangelie) dat God bekend wilde maken. Hij wilde het beslist niet verborgen houden. Hij gaf de opdracht om het te verkondigen aan allen ‘die oren hebben om te horen’.Vgl. LUCAS 14:35. Daarom is de voor de hand liggende vertaling 'mysterie' niet gebruikt in de Bijbel. Want dit woord heeft de betekenis gekregen van een waarheid, die niet te ontdekken en te doorgronden valt. En alleen bestemd was voor ingewijden, zoals we al eerder zagen.

Het woord ‘geheimenis’ past beter in de vertaling van het Nieuwe Testament. Het laat het geopenbaarde karakter van dit woord beter tot haar recht komen. Maar we moeten hierbij wel bedenken dat het om een ‘openbaar geheim’ gaat, waarvan God wil, dat we er allen deel aan hebben. Het woord geheimenis, kent een groot aantal waarheden. Die Waarheid wordt voor de gelovigen, geopenbaard in de komst van Jezus Christus, en de Persoon en het werk van de Heilige Geest.

De Bijbel spreekt wel over geheimen, maar die worden allemaal door God Zelf en op Zijn tijd geopenbaard, en dus niet verborgen gehouden. In DEUTERONOMIUM lezen we: “Er zijn geheimen die de HERE, uw God, u niet heeft geopenbaard. Maar deze woorden, die Hij wel heeft geopenbaard, moeten wij en onze kinderen voor altijd gehoorzamen” 29:29 HET BOEK VERT. Hoewel dit een moeilijk vers is moeten we de verklaring alleen zoeken in dat wat God voor ons ‘(be)grijpbaar’ heeft gemaakt. De geopenbaarde zaken, hebben betrekking op de ‘geopenbaarde wil’ van God in Zijn woord. En dat wat Hij verborgen houdt, past nog niet in de tijd waarin wij nú leven. Met dit probleem worstelde Daniël ook. God had hem dingen laten zien die hij niet kon begrijpen. En op zijn vraag of de Heer het hem duidelijk wilde maken antwoordde God: “Maar houd deze woorden geheim, Daniël, en verzegel het boek tot de eindtijd. Velen zullen op zoek gaan en de kennis zal toenemen.’ DANIËL 12:4.

Er is dus een toenemende openbaring van Gods wil. God wacht de tijd af om de dingen te openbaren die nodig zijn om Hem te begrijpen. En dat we, wat dit betreft, in een ‘openbarings tijd’ leven, maakt Jezus ons met de volgende woorden duidelijk:

Jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van God kennen, maar de anderen krijgen alles in gelijkenissen te horen, opdat ze zien zonder inzicht en horen zonder iets te begrijpen” LUCAS 8:10.

En Paulus legt in 1 TIMÓTHEÜS 3:16 verder uit, wat deze geheimen inhouden.

“Ongetwijfeld is dit het grote mysterie van ons geloof:

  • Hij is geopenbaard in een sterfelijk lichaam
  • In het gelijk gesteld door de Geest
  • Is verschenen aan de engelen
  • Verkondigd onder de volken
  • Vond geloof in de wereld
  • Is opgenomen in majesteit”.

Uit dit vers blijkt allerminst dat het evangelie verborgen móest blijven. En om duidelijk te maken dat het voor iedereen bestemd was vroeg Paulus:

Bid ook voor mij, dat mij de juiste woorden gegeven worden wanneer ik verkondig, zodat ik met vrijmoedigheid het mysterie (geheimenis) mag openbaren van het evangelie” EFEZIËRS 6:19.

Het woord mysterie (NBV vert.) of geheimenis (NBG vert.) wordt in het bijzonder gebruikt voor het evangelie dat ‘eeuwenlang’ als een geheim bewaard was gebleven. Paulus zegt hier het volgende over:

“Aan hem die bij machte is u kracht te geven, overeenkomstig het evangelie van Jezus Christus dat ik verkondig, overeenkomstig de onthulling van het geheim waarover eeuwenlang gezwegen is, maar dat nu is geopenbaard en op bevel van de eeuwige God door de geschriften van de profeten bij alle volken bekend is geworden om ze tot gehoorzaamheid en geloof te brengen – aan hem, de enige, alwijze God, komt de eer toe, door Jezus Christus, tot in eeuwigheid. Amen” ROMEINEN 16:25-27.

Het geheimenis is dus een tijdlang verborgen geweest, maar op een door God bepaald tijdstip is het geopenbaard om alle volken te verkondigen wie Hij is.

Met het oog op u heeft God mij die dienende taak toevertrouwd, opdat zijn boodschap in al haar volheid verkondigd wordt: het mysterie dat in alle eeuwen en voor alle generaties verborgen is geweest, maar nu aan zijn heiligen onthuld is. Aan hen heeft God bekend willen maken hoe glorierijk dit mysterie is voor alle volken: Christus is in u, hij is uw hoop op goddelijke luister” KOLOSSENZEN 1:25-27.

Het evangelie, wat eeuwenlang verborgen is geweest, is nu voor een ieder beschikbaar. Maar om het écht te verstaan moeten we dat reddende evangelie wel aannemen. Want de kern van Gods boodschap, Zijn geopenbaarde geheimenis, kan alleen door gelovigen begrepen worden. Vgl. 1 CORINTHIËRS 2:14 Zie ook MATTHÉÜS 16:13-17.

Het is opvallend dat het woord mysterie in de (grondtekst) Bijbel nergens gebruikt wordt in verband met een plechtige handeling. En nog minder is het iets dat ten kostte van alles geheim gehouden moest worden. Gods Woord, toont zeer overtuigend aan, dat het juist iets is wat geopenbaard moest worden. Telkens vraagt Paulus om gebed om dit geheim, het mysterie, bekend te maken aan alle volken. Zie KOLOSSENZEN 4:3. Het was Paulus opdracht – en dat van elke christen - om het ‘geheimenis van Gods Koninkrijk’, publiekelijk bekend te maken. Het woord mysterie heeft in de Bijbel een totaal andere betekenis dan in de mysterie religies. Het heeft in de Bijbelse context niets met een sacrament te maken, we vinden daarvoor geen enkele grond.

Ontzag voor het sacrament

Tijdens de Reformatie veranderde er veel, maar het Avondmaal bleef men toch als een sacrament zien. Hiermee bleef men vasthouden dat het Nieuwe Testament sacramenten kent. Dat bleek niet alleen maar een woord of een aanduiding te zijn voor een bepaalde handeling. Hier zien we duidelijk de erfenis van het verleden terug.

Er werden rond het Avondmaal allerlei regels en voorschriften gehandhaafd. Er was een ‘tafelwacht’ die erop moest toezien dat alleen bekende mensen (doop leden) aan het Avondmaal deelnamen. Er werd een soort legitimatie systeem ingevoerd, voor kerkelijke gasten van buitenaf. Dit, om te voorkomen dat zij zouden deelnemen en daardoor het sacrament zouden ontheiligen. Zo groeide er een vorm van angst, wat er voor zorgde dat veel mensen niet aan ‘de tafel van de Heer’ deelnamen. Want door het sacramentele gewicht dat het Avondmaal had gekregen, durfden veel mensen niet deel te nemen. Ik weet nog dat mijn vader zei; ‘hoe kan hij of zij deelnemen want……’ !

Men voelde zich opgelucht wanneer de Avondmaalszondag weer achter de rug was en men weer gewoon in de kerk kon zitten. Angst om door deelname de ‘tafel van de Heer’ te ontheiligen is totaal onbijbels. Met ‘wie’ vierde Jezus Zijn laatste Avondmaal? Wanneer je hier over nadenkt, is het onbijbels om het Avondmaal een sacrament te noemen. Want het is dé vieren, voor verloste zondaars.

Bediening en sacrament

De bediening van het Avondmaal was voorbehouden aan de dominee. Het was ondenkbaar dat een gewoon gemeentelid het Avondmaal mocht bedienen. In de heidense godsdiensten was er een priester, die de mensen in de sacramenten inleidde. Hij was de specialist die de sacramenten voltrok en de mensen erin onderwees. Deze regel vinden we in het algemeen terug in alle heidense godsdiensten. De priester was onontbeerlijk voor het voltrekken van de heilige handelingen. De regel was als volgt; ‘Heilig zijn die dingen die door, een door priesters voltrokken rite, voor de godheid gereserveerd zijn’.

De binding van priester en sacrament begon ook in de kerk voet aan de grond te krijgen. Dat is niet zo verwonderlijk als we bedenken, dat de priester en het sacramentele denken in dezelfde tijd de kerk binnen kwamen. Men beriep zich op het Oude Testament waar de priesters belangrijke functies hadden voor diverse handelingen in de Tempel. Maar de Bijbel geeft ons heel andere informatie.  Want de priesters deden niet alle handelingen zelf.

De besnijdenis werd niet door de priester maar door de vader zelf gedaan. Zie GENESIS 21:4 en EXODUS 4:25. Ook het offerdier werd niet geslacht door de priester, maar door degene die het offer wilde brengen. Want het was ‘zijn offer’ aan God. Zie LEVITICUS 1:5; 3:2; 4:4. We zien dus duidelijk dat de gelovige zelf ook een aandeel had in het brengen van zijn offer. Er was sprake van een samenwerking tussen de priester en de gelovige. Dat de bediening van woord en sacrament alleen tot de bevoegdheid van een speciale ambtsdrager behoorde bleef na de Reformatie van kracht.

Het sacramentele denken was blijkbaar zo diep verbonden met de kerk, dat men het maar moeilijk van elkaar kon onderscheiden. Vlak na de Reformatie is het wel eens gebeurd dat er door ‘gewone’ mensen gedoopt en het Avondmaal werd bediend, maar dit bleef een hoge uitzondering en men maakte daar snel een verbod voor.

H. Bouman (Gereformeerd predikant te kampen in 1934) schreef in het boek kerkrecht deel 2; ‘Christus heeft het prediken van het evangelie en de bediening van de sacramenten aan dezelfde personen opgedragen. En nergens in het Nieuwe Testament vinden we een aanwijzing dat de bediening der sacramenten aan andere personen, dan aan de bedienaren des evangelies is toevertrouwd. Alleen een wettig aangestelde predikant mag de sacramenten bedienen’ (einde citaat).

Hier komt duidelijk naar voren dat de kerk de bediening van Avondmaal en Doop aan speciaal hiervoor opgeleide mensen verbond. Dat kwam omdat men deze handelingen als sacramenten bleef zien. (De kerk spreekt over ‘heilige sacramenten’ zie, de liturgie der gereformeerde kerken.)   Sacramenten vereisen nu eenmaal, speciaal daarvoor aangestelde mensen.

Dit is niet bijbels! Want tegenover deze zienswijze kunnen we vele bijbelse gebeurtenissen plaatsen, zodat we duidelijk zien dat dit ingaat tegen het Woord van God.

Enkele voorbeelden

In HANDELINGEN 10 houdt Petrus een toespraak in het huis van Cornelius en dat had een geweldige uitwerking op de toehoorders. In VERS 34 zegt hij; “Nu begrijp ik pas goed dat God geen onderscheid maakt tussen mensen”. En dan begint hij te getuigen van de komst van Jezus en wat Hij allemaal gedaan heeft. De VERZEN 35-43. En terwijl hij nog staat te getuigen valt de Heilige Geest op alle toehoorders. Petrus herkende dit als Gods antwoord op zijn getuigenis zei: “Wie kan nu nog weigeren deze mensen met water te dopen, nu ze net als wij de heilige Geest hebben ontvangen? En hij gaf opdracht hen te dopen in de naam van Jezus Christus” VERS 47-48.

Het is belangrijk om te zien dat Petrus zelf niet doopte, maar wel de opdracht daarvoor gaf. Mocht hij dit dat zomaar doen? Een dergelijke handeling is toch voorbehouden aan… ja, aan wie? Als er iemand in aanmerking kwam om te dopen, dan was het Petrus toch zeker wel. Tenminste, als we blijven denken binnen de kerkelijke kaders. De mensen die doopten, dat waren Joodse christenen. Geen speciaal daarvoor aangestelde mensen. Ook geen voorgangers of daartoe bekwame mensen.

Uit HANDELINGEN 11:12 weten we dat er zes ‘gewone gemeente leden’ met Petrus waren mee gegaan uit Joppe. Die mensen, op wie de Heilige Geest was nedergedaald, hebben gedoopt. Petrus houdt dus wel een toespraak, maar doopte zelf niet, wel geeft hij het bevel om te dopen.

De kritiek die hij later krijgt ging niet over het dopen. Dat ging over het feit dat hij het huis van een heiden was binnengegaan. Niemand zei tegen Petrus, als er dan gedoopt moest worden, had jij dat moeten doen, want jij was de enige die daarvoor bevoegd was. Dat speelde geen enkele rol.

Dit verhaal maakt duidelijk dat niemand in die tijd de doop als een sacrament beschouwde. Het dopen hoorde bij het nieuwe leven en aan die plechtigheden waren geen ‘opgelegde voorschriften’ verbonden.

Nog een voorbeeld; de doop van Paulus. We kennen allemaal het verhaal hoe deze man de gemeente vervolgde. Maar God greep in om Zijn gemeente te beschermen. Maar deze man, door sommigen de ‘heilige Paulus’ genoemd, kwam tot bekering. En God stuurde Ananias om hem de handen op te leggen, zodat hij weer zou zien en met de Heilige Geest vervuld zou worden.

Van Ananas wordt niet verteld of hij een voorganger was. Wel lezen we dat hij een discipel van Jezus was. Was daar dan geen gemeente? Zeker, want Paulus was er zelf naartoe gegaan om de gemeente leden te vervolgen. Dus er was wel een gemeente, maar Paulus werd gedoopt door een discipel van Jezus, wat leerling betekent. Er kwam geen speciale ambtsdrager aan te pas. Deze leerling ging Paulus dopen, en we lezen nergens dat Ananias ter verantwoording werd geroepen vanwege dit feit. Zie HANDELINGEN 9:10-16.

Sommige mensen zouden vanuit hun denken over de ‘doop als sacrament’, de nodige vraagtekens willen zetten bij de wettigheid van een dergelijke doop. Maar God vond het goed dat Paulus gedoopt werd door een gewoon gemeentelid uit Damascus. Volgens kerkelijke maatstaven zou deze doop geen wettige doop kunnen zijn.

Ook van Paulus lezen we dat hij maar een paar mensen gedoopt heeft, ‘want God had hem daar niet toe gezonden’ lezen we in 1 CORINTHIËRS 1:14-17. Niemand van de eerste christen gemeenten heeft het onbijbels gevonden, dat gewone gemeente leden de doop bedienden. Dit kwam omdat zij de doop niet als een sacrament zagen. Er was dus ook geen speciale ambtelijke bevoegdheid voor nodig. We lezen nergens in het Nieuwe Testament dat de doop alleen mag worden bediend door speciaal daarvoor opgeleide mensen. Dat de kerk dit nog steeds handhaaft komt door de nawerking van het sacramentele denken.

Nu hoor ik sommigen al zeggen; maar wat heeft dit nu te maken met het Avondmaal. Alles, en wel om de volgende reden. Als de doop niet geplaatst kan worden onder de noemer ‘sacrament’, dan kan dat ook niet bij het Avondmaal.

Nu geeft het Nieuwe Testament ook geen voorbeelden waaruit blijkt dat het Avondmaal, door speciale mensen bediend moest worden. Jezus vierde Zijn laatste Avondmaal met gewone mensen tegen wie Hij zei:

“Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken” LUCAS 22:19.

En hoe dit verhaal verder gaat zien we in HANDELINGEN 2:46.

“Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde”.

Het breken van het brood, het Avondmaal vieren, gebeurde gewoon bij de mensen thuis. Dit werd gedaan en bediend door eigen gemeenteleden. Hier waren Jezus discipelen wel bij aanwezig, maar zij waren niet als ‘speciaal bevoegde’ mensen aangesteld om dit te bedienen.

Daarom kunnen we zeggen wat ‘niet’ voor de doop geldt, geldt ‘ook niet’ voor het avondmaal. De Bijbel geeft daar geen enkele aanwijzing voor. Zelfs de voorbereiding om het Avondmaal te vieren liet Jezus doen door gewone mensen. En dit heeft alles te maken met het feit dat de voorafschaduwing van het avondmaal ‘het Pascha’, ook geen ambtelijke bediening kende.

De kerkelijke zienswijze, dat het Avondmaal alleen maar bediend mag worden door de predikant, vindt dan ook geen enkele Bijbelse grond. Dit vloeit voort uit een onbijbels sacramenteel denken. Trouwens, de gedachte dat de prediking alleen maar door de dominee gedaan mag worden, lezen we ook nergens in de Bijbel.

Wat we wel lezen is; dat de prediking van het evangelie gedaan werd door zowel ‘geletterde als ongeletterde’ mensen. En voor de speciale taken en opbouw van de gemeente is het God die aanstelt. De bevoegdheid om iets te doen binnen het Koninkrijk van God is niet voorbehouden aan de theologen. Zie EFEZIËRS 4:11.

Hoewel dit punt best stof tot nadenken geeft, wil ik het toch laten rusten omdat dit buiten het kader van ons onderwerp valt.

In de volgende studie zullen we het onderwerp; Afhouding van het Avondmaal behandelen.

Ik wens je Gods zegen