In deze studie brengt Paulus nog eens een aantal belangrijke principes naar voren die hij voor een groot deel ook al eerder heeft besproken.

Accenten

Zoals wij aan het einde van een gesprek of een betoog nog eens even de nadruk leggen op wat wij feitelijk bedoelen te zeggen, zo legt Paulus ook aan het einde van zijn brief aan de Romeinen een aantal accenten.

Hij begint met een korte samenvatting van hoofdstuk 14 dat we in de vorige les al uitvoerig hebben besproken. Vervolgens roept hij de gemeente met nadruk op om eensgezind te zijn.

In de tweede perikoop grijpt Paulus terug op het begin van zijn brief. Hij herhaalt wat hem ertoe gedreven heeft om deze brief te schrijven. Hij schrijft over zijn bediening om aan de heidenen het evangelie te verkondigen. Verder vertelt hij over zijn reis naar Jeruzalem en zijn plan om daarna, via Rome, naar Spanje te gaan.

Lezen - ROMEINEN 15:1-13

“Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden der zwakken verdragen en niet onszelf behagen. Ieder onzer trachte zijn naaste te behagen, ten goede, tot opbouwing, want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar, gelijk geschreven staat: De smaadwoorden van hen, die U smaden, kwamen op Mij neder. Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden.

De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar (het voorbeeld van) Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken.

Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods. Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen geweest is, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen, en dat de heidenen God ter wille van zijn ontferming gaan verheerlijken, gelijk geschreven staat:

Daarom zal ik U loven onder de heidenen en uw naam met snarenspel prijzen. En verder zegt Hij: Verheugt u, heidenen, met zijn volk. En verder: Looft, al gij heidenen, de Here, en laten alle volken Hem prijzen. En verder zegt Jesaja: Komen zal de wortel van Isaï, en Hij, die opstaat, om over de heidenen te regeren; op Hem zullen de heidenen hopen. De God nu der hope vervulle u met louter vreugde en vrede in uw geloof, om overvloedig te zijn in de hoop, door de kracht des heiligen Geestes”.

Allen één in de liefde van Christus

Paulus gaat in dit hoofdstuk verder met de praktische uitwerking van de gezindheid van Christus. Dus met het leven uit de Geest. Hij herhaalt in ROMEINEN 15:1-3 ingrote lijnen zijn boodschap van hoofdstuk 14:

  • De sterken moeten de gevoeligheden van de zwakken verdragen en hen aanvaarden
  • De sterke moet niet zichzelf willen behagen, maar voorkomen dat hij ergernis of aanstoot geeft aan zijn broeder of zuster
  • De sterke moet niet zijn eigen zin willen doordrijven maar gericht zijn op het welzijn van de ander
  • Hij moet vanuit de liefde van Christus het goede zoeken voor de ander en gericht zijn op de opbouw van de gemeente

Wij zijn niet in de eerste plaats in de gemeente om zelf tot ons recht te komen, maar we zijn in de gemeente om elkaar te dienen. Dat betekent, dat wij ons eigen gelijk en ons eigen recht ondergeschikt moeten maken aan de opbouw van de gemeente. Hier ligt een heel belangrijke toetssteen voor ons gedrag in de gemeente.

Delen in het lijden van Christus

Uit VERS 3 blijkt, dat Jezus Christus ons hierin zelf tot een voorbeeld is. Jezus Christus heeft ook verdrukking en smaadheid ervaren. Wanneer wij verdrukt worden delen wij in Zijn lijden. Een vreselijk moeilijke en levensbedreigende situatie die veel christenen in o.m. communistische en moslimlanden moeten doorstaan.

In het licht van het evangelie heeft het delen in Zijn lijden een positieve betekenis. Tekenend is de houding van de Apostelen zoals die beschreven wordt in HANDELINGEN 5:40B-41 NBV.

“Ze (RED.:DE RAAD DER JODEN) lieten hen geselen, bevalen hun de naam van Jezus niet meer te gebruiken en lieten hen vrij. De apostelen verlieten het Sanhedrin, verheugd dat ze waardig bevonden waren deze vernedering te ondergaan omwille van de naam van Jezus”.

In de VERZEN 4-5 zegt Paulus dat wij moeten leren van wat vroeger is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden en troost te putten uit de Schriften zouden blijven hopen. Paulus heeft hierover al eerder iets geschreven in ROMEINEN 5:3-5:

“En niet alleen (hierin), maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop; en de hoop maakt niet beschaamd omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest”.

De weg van de verdrukking maakt vaak deel uit van een geheiligde levenswandel; van het leven door de Heilige Geest. Als wij daaruit leven, dan leidt de smaad en het onrecht dat ons treft tot volharding. Dan ervaren wij daarbij de troost van de Trooster, (de Heilige Geest) en kunnen wij ons vasthouden aan de hoop (de verwachting van de heerlijkheid die komt.) Volharding, troost en hoop zijn genadegaven/giften van God. Daarom wordt God hier door Paulus in VERS 5 ‘de God der volharding en der vertroosting’ genoemd.

Eensgezindheid

In VERS 5-6 wenst Paulus de gemeente toe, dat zij naar het voorbeeld van Jezus, ‘eensgezind van het zelfde gevoelen’ zullen zijn, zodat zij eendrachtig uit één mond God mogen verheerlijken die de Vader is van Jezus Christus.

Paulus weet van de vaak tegengestelde overtuigingen die in Rome bestaan tussen Christenen uit de Joden en Christenen uit de Heidenen. Samen maken zij deel uit van de gemeente van Jezus Christus te Rome maar hun achtergrond is heel verschillend. Dat heeft al eerder geleid tot de vergadering in Jeruzalem, waar voor de gelovigen uit de heidenen een speciale regeling werd afgesproken. Zie HANDELINGEN 15:4-21. Binnen de gemeente speelden die verschillen natuurlijk ook een rol. Hij roept hen op ondanks die verschillen samen te leven in de liefde van Christus. Hij wil graag dat zij bereid zijn de anderen, ondanks hun andere denkwijze, te aanvaarden en lief te hebben zoals Christus hun heeft voorgeleefd.

Door de hele brief aan de Romeinen proeven wij het verlangen van Paulus om aan Christenen uit de Joden en Christenen uit de Heidenen duidelijk te maken, dat zij elkaar in Christus moeten aanvaarden en tot een geestelijke eenheid moeten samengroeien. Er is voor Jood en Heiden immers maar één grond voor hun rechtvaardiging en dat is het geloof in Jezus Christus.

Christus heeft de twee (RED. JOOD EN HEIDEN) tot één gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken. Lees EFEZE 2:11-16. Joden en Heidenschristenen zijn in Christus én met Christus, in geestelijke zin, tot een eenheid samengesmolten. In hun levenswijze kwam dit echter nog niet voldoende tot uitdrukking. Paulus spant zich dan ook in om de eenheid tussen beide stromingen in de gemeente te bevorderen. Zijn oproep tot eensgezindheid is dus niet zonder reden. Hij motiveert zijn oproep tot eenheid met een aantal teksten uit het Oude Testament (VERS 9-12) en met de roeping van Jezus zelf.

Paulus is kennelijk bezorgd over de vraag of de Christenen uit de Joden wel voldoende beseffen, dat de Christenen uit de Heidenen wel degelijk moeten worden aanvaard. Daarom noemt hij nog eens een aantal teksten waaruit blijkt, dat al in het Oude Testament werd aangekondigd, dat het heil ook bestemd was voor de Heidenen.

Wanneer Paulus oproept tot eensgezindheid en eendracht heeft hij ongetwijfeld ook de verschillende achtergronden van Joden en Heidenen op het oog. Gelovige Joden en Christenen uit de Heidenen moeten elkaar als gelijkwaardige en volwaardige broeders en zusters aanvaarden en rekening houden met elkaar’s gevoelens. Paulus wil de mensen in Rome dat nog eens heel ernstig op het hart binden.

Eenheid onder christenen nu

Het is helaas in onze tijd zonneklaar dat ook nu tussen Christenen heel wat verschillen in opvatting bestaan. Zo zelfs dat daardoor allerlei verschillende kerken en geloofsgemeenschappen zijn ontstaan. Je vraagt je af of het ooit nog mogelijk zal worden om met alle Christenen samen eensgezind van het zelfde gevoelen te zijn en eendrachtig uit één mond God te verheerlijken.

Als we alleen al denken aan de verschillende liederenbundels en de wijze waarop die wederzijds worden bekritiseerd. Dat eendrachtig God verheerlijken zal pas mogelijk worden wanneer alle geloofsgemeenschappen die Christus als hun Heer hebben aanvaard en serieus naar Gods Woord willen leven zich bewust worden dat zij niet los van elkaar kunnen bestaan, maar in Christus met elkaar verbonden zijn, ondanks hun theologische verschillen. Samen als dienstknecht van de Heer.

Als één lichaam en één Geest; met één Here, één geloof, één doop; met één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen. Zie EFEZIËRS 4:4-5. Een teken van hoop vormen de (samenzang) programma’s van de Evangelische Omroep die voor een groot deel van kerkelijk Nederland als een mogelijkheid worden gezien om samen te werken onder meer in verkondiging en lofprijzing.

Een prachtige zegenwens  besluit dit gedeelte (VERS 13)

Er zijn nogal wat christenen die bang zijn om zich in hun geloof te verheugen. Zij missen de zekerheid van het geloof en vragen zich af of zij wel uitverkoren zijn. Hoe kun je vreugde beleven wanneer je niet weet of je; ‘er wel bij zult zijn; je kunt alleen maar hopen’. Over de verkiezende genade hebben wij al nagedacht bij de behandeling van ROMEINEN 9 in les 13.

God is er niet op uit om mensen uit te sluiten van het heil. Hoe zal Hij die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? Zie ROMEINEN 8:32. Paulus wenst de gemeente toe dat, “de God van de hoop”, de God die hen de hoop geeft, hen in het geloof geheel en al mag vervullen met vreugde en vrede, zodat hun hoop overvloedig zal zijn door de kracht van de Heilige Geest. Wij weten dat het geloof de zekerheid is van de dingen die wij hopen. De hoop die Paulus hier bedoelt is gefundeerd in het vaste vertrouwen, dat God zijn beloften zal vervullen.

In ROMEINEN 15:14-33 geeft Paulus nog een aantal persoonlijke mededelingen.

“Ik heb echter, mijn broeders, zelf al de overtuiging van u, dat gij zelf reeds vol van goedheid zijt, vervuld met al de kennis, in staat ook elkander terecht te wijzen. Toch heb ik u hier en daar bij wijze van herinnering ietwat vrijmoedig geschreven, krachtens de mij van God geschonken genade, om een dienaar van Christus Jezus voor de heidenen te zijn in de heilige dienst van het evangelie Gods, opdat de offergave der heidenen (Gode) welgevallig zou wezen, geheiligd door de heilige Geest.

Mijn roem bij God is dan ook in Christus Jezus. Want ik zal het niet wagen van iets anders te spreken dan van hetgeen Christus door mij bewerkt heeft, om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen door woord en daad, door kracht van tekenen en wonderen, door de kracht des Geestes. Zo heb ik, van Jeruzalem uit rondreizende tot Illyrië toe, de prediking van het Evangelie van Christus volbracht. Ik stelde er mijn eer in het te verkondigen, doch zo, dat ik niet (optrad), waar de naam van Christus reeds genoemd was, om niet op eens anders fundament te bouwen, maar (om te handelen) naar hetgeen geschreven staat: Zij, aan wie niets van Hem is verkondigd, zullen Hem zien en wie het niet gehoord hebben, zullen het verstaan.

Daarom werd ik dan ook herhaaldelijk verhinderd tot u te komen. Maar thans, nu mij in deze streken geen arbeidsveld meer overblijft en ik sedert tal van jaren verlangend ben tot u te komen, zodra ik naar Spanje reis – ik hoop u namelijk op mijn doorreis met eigen ogen te zien en door u voortgeholpen te worden voor mijn tocht daarheen, wanneer ik eerst enigermate van u genoten heb. Maar thans ben ik op reis naar Jeruzalem ten dienste van de heiligen. Want Macedonië en Achaje hebben goedgevonden een handreiking te doen aan de armen onder de heiligen te Jeruzalem.

Zij hebben het immers goedgevonden, maar zijn het ook jegens hen verplicht, want indien de heidenen aan hun geestelijke goederen deel hebben gekregen, behoren zij ook met hun stoffelijke goederen hen te dienen. Wanneer ik mij dan hiervan gekweten en hun deze opbrengst afgedragen heb, zal ik over uw stad naar Spanje reizen. En ik weet, dat ik bij mijn komst te uwent met een volle zegen van Christus zal komen. Maar, [broeders,] ik vermaan u bij onze Here Jezus Christus en bij de liefde des Geestes, om samen met mij te worstelen in den gebede voor mij tot God, opdat ik behoed worde voor de weerspannigen in Judea, en dat mijn dienstbetoon voor Jeruzalem gunstig worde opgenomen door de heiligen, opdat ik, in blijdschap tot u gekomen met Gods wil, mij tezamen met u verkwikken moge. De God nu des vredes zij met u allen! Amen”.

De bediening van Paulus

In dit gedeelte legt Paulus uit waarom hij de vrijmoedigheid heeft om deze indringende brief aan de gemeente te Rome te schrijven. Hij weet heel goed, dat hij in deze brief heel wat heilige huisjes omver heeft geschopt. Vooral de Joden zullen daar niet zo blij mee zijn.

Paulus spreekt echter als apostel. Hij spreekt met de volmacht van Jezus Christus zelf. Hij wil zich als het ware legitimeren, zoals hij ook al aan het begin van de brief heeft gedaan. Zie ROMEINEN 1:1-8. Paulus wil nog eens duidelijk laten uitkomen wat zijn opdracht is en in welke kracht hij zijn bediening uitoefent.

Als we VERS 16 lezen dan blijkt, dat Paulus zijn dienst beschouwt als een door God geschonken genade. Wanneer je naar de grondtekst kijkt, dan kun je in dit vers een mooie woordspeling opmerken: De woorden ‘dienaar’ en ‘dienst’ herinneren aan de dienst van een priester. Paulus is hier dan de priester die een offergave aan God brengt. Het offer dat hij God aanbiedt bestaat uit de heidenen die mede door zijn prediking bekeerd zijn. En offer waar God blij mee is en dat geheiligd is door de Heilige Geest. Het komt niet voort uit eigen kracht, maar is een vrucht van zijn bediening. Paulus geeft dan ook alle eer aan Christus Jezus, zie VERS 17.

Paulus reisplannen

In VERS 20 zegt Paulus dat hij het evangelie niet verkondigde waar de naam van Christus reeds genoemd was. Ook wanneer hij zelf ergens het evangelie gebracht had trok hij weer verder. In de VERZEN 21-25 vertelt Paulus over zijn reisplannen. Hij wil eerst naar Jeruzalem en daarna via Rome naar Spanje. Het is onvoorstelbaar, dat Paulus dit zomaar in een paar regels neerschrijft, als je weet hoe lang die reizen vaak duurden en aan hoeveel gevaren hij blootgesteld werd. Dat blijkt ook wel uit de belevenissen van Paulus die in de Handelingen der apostelen zijn opgeschreven.

Hulpverlening voor de gemeente te Jeruzalem

Paulus moest naar Jeruzalem om er geld te brengen. Het was een handreiking van de gemeenten uit Macedonië en Achàje voor de armen onder de heiligen (de gelovigen) van de gemeente in Jeruzalem. In VERS 27 geeft Paulus de gevers geen pluim, maar hij zegt: ‘Ze zijn het tegenover hen verplicht’. De gemeente in Jeruzalem heeft hun in hun geestelijke goederen laten delen; dan is het alleszins redelijk dat zij Jeruzalem met materiële dingen ondersteunen. Uit deze opmerking blijkt mijns inziens ook dat Paulus een verbondenheid van de ontstane gemeenten belangrijk vindt. Binnen die verbondenheid met andere gemeenten past ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor elkaar.

In de VERZEN 30-31 is Paulus kennelijk bang, dat hij het in Jeruzalem moeilijk zal krijgen met mensen die hem niet mogen. Hij vraagt dan ook indringend aan de gemeente te Rome om met hem te worstelen in het gebed, dat hij ‘behoed worde voor de weerspannigen in Judea en dat mijn dienstbetoon voor Jeruzalem gunstig worde opgenomen door de heiligen’.

Het is toch eigenlijk wel gek, dat je hulp komt brengen voor de armen en dan bang moet zijn dat de gelovigen dat niet gunstig zullen opnemen. We moeten dan wel bedenken dat Paulus zowel in verband met zijn verleden, als vervolger van de gemeente, als door zijn boodschap omstreden was. Hij wil heel graag de gemeente in Rome bezoeken, maar houdt er rekening mee, dat het voor hem heel gevaarlijk kan worden in Jeruzalem. Dat blijkt heel duidelijk uit HANDELINGEN 20:22-25 NBV.

“Nu ben ik op weg naar Jeruzalem, gedreven door de Geest, zonder te weten wat me daar te wachten staat, behalve dan dat de heilige Geest me in iedere stad verzekert dat gevangenschap en vervolging mijn deel zullen zijn. Ik hecht echter niet de minste waarde aan het behoud van mijn leven, als ik mijn levenstaak maar kan voltooien en de opdracht uitvoeren die ik van de Heer Jezus ontvangen heb: getuigen van het evangelie van Gods genade. Ik weet dat niemand van u, aan wie ik op mijn reizen het koninkrijk heb verkondigd, mij terug zal zien”.

Nu we dit gelezen hebben is het ook goed om te weten hoe hij in Jeruzalem ontvangen is. Lees hiervoor HANDELINGEN 21:17-21 EN 21:27-32. Wanneer iemand zijn eigen wil ondergeschikt heeft gemaakt aan de opbouw van de gemeente dan is het Paulus wel. Zijn bediening gaat boven alles, ook wanneer hij weet dat hem boeien en verdrukking te wachten staan. De vraag om met hem te worstelen in gebed kunnen we hierdoor nog beter begrijpen.

Tot slot

Ik weet niet of Paulus hier een speciale bedoeling mee heeft, maar wij lazen;

  • De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind te zijn - VERS 5
  • De God nu der hope vervulle u met louter vreugde en vrede in uw geloof - VERS 13
  • De God nu des vredes zij met u allen! Amen - VERS 33

Dat zijn ook prachtige zegenwensen voor ons aan het slot van deze studie.

Vragen:

  • Vind je het wel eens moeilijk om je eigen gelijk of je eigen recht ondergeschikt te maken aan de opbouw en de eenheid van de gemeente? Kun je daar een voorbeeld van geven?
  • Wat zou dat inhouden: eensgezind van het zelfde gevoelen zijn. zie ROMEINEN 15:5.
  • Maken wij wel eens onderscheid tussen meer of minder volwaardige of gelijkwaardige broeders en zusters? Welke gevolgen kan dat hebben?
  • Is de zegenwens van Paulus in VERS 13 bij jou in vervulling gegaan? Beleef je de volle vreugde en vrede in het geloof? Zijn er dingen die dat in de weg staan?
  • In VERS 27 geeft Paulus de gevers geen pluim, maar hij zegt: Ze zijn het tegenover hen verplicht. De gemeente in Jeruzalem heeft hun in hun geestelijke goederen laten delen; dan is het alleszins redelijk dat zij Jeruzalem met materiële dingen ondersteunen. Zegt ons dit ook wat over de verbondenheid tussen gemeenten van Christus en het onderhouden van relaties met gemeenten die het moeilijk hebben? Is dat liefdadigheid of plicht of…
  • Zijn er in jou gemeente of in je leven wel eens dingen waarvoor jij zouden willen vragen om daarvoor samen te worstelen in het gebed?

F. van der Werf.