Het gaat in het vervolg van de bespreking van dit hoofdstuk opnieuw om de uitwerking van de gezindheid van Christus. In mijn persoonlijke vrijheid moet ik rekening houden met de gevolgen die mijn gedrag heeft voor de ander.

Ik mag voor de ander geen aanstoot of ergernis geven. Wanneer ik schade toebreng aan het geloof van een broeder of zuster sta ik niet meer in de liefde. Mijn eigen standpunt of eigen belang moet ik ondergeschikt maken aan de opbouw van de gemeente. Het gaat er niet om dat ik, maar dat de Heer tot zijn recht komt. Dat wil niet zeggen dat ik mijn eigen overtuiging van wat ik goed vind moeten opgeven.

Geen aanstoot geven

Lezen - ROMEINEN 14:13-23

“Laten wij dan niet langer elkander oordelen, maar komt liever tot dit oordeel: uw broeder geen aanstoot of ergernis te geven. Ik weet en ben overtuigd in de Here Jezus, dat niets uit zichzelf onrein is; alleen voor hem, die iets onrein acht, is het onrein. Want indien uw broeder door iets, dat gij eet, gegriefd wordt, wandelt gij niet meer naar de eis der liefde. Breng niet door uw eten hem ten verderve, voor wie Christus gestorven is.

Laat van het goede, dat gij hebt, geen kwaad gezegd kunnen worden. Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de heilige Geest. Want wie door deze Geest een dienstknecht is van Christus, is welgevallig bij God, en in achting bij de mensen. Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouwing bevordert.

Breek niet ter wille van spijs het werk Gods af; alles is wel rein, maar het is verkeerd voor een mens, als hij door zijn eten tot aanstoot is. Het is goed geen vlees te eten of wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot. Houd gij het geloof, dat gij hebt bij uzelf voor het aangezicht Gods. Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht. Maar wie twijfelt, wanneer hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde”.

Het zoeken van het goede voor de ander

Lees VERS 13. Wanneer je weet, dat je broeder of zuster bang is verkeerd te doen door iets te eten of te drinken en je hebt er zelf geen moeite mee, dan moet je uit liefde voor die ander in zijn nabijheid liever iets niet eten of drinken of doen waar die ander zich aan ergert of waar hij moeite mee heeft.

Moet je dan huichelen dat je het met de opvattingen van de ander eens bent? M.i. mag de ander best weten, dat je, hoewel je zelf anders denkt, graag bereid bent om je in de gegeven situatie aan te passen.

VERS 15. De reden waarom je in dat geval niet eet of drinkt enz. is, dat je dan niet meer in de liefde van Christus bezig bent. Je hebt dan niet meer voor ogen dat je doen en laten voor een ander aanleiding kan zijn om b.v. zijn geloof vaarwel te zeggen of de gemeente te verlaten, of te gaan shoppen.

Dan is wat je zelf goed vindt niet meer tot opbouw van die ander of van de gemeente. Aan dat laatste principe zouden wij alles in de gemeente en in ons gedrag in de gemeente moeten toetsen.

Rein of onrein?

VERS 14. Daar staat nogal wat. Namelijk dat niets uit zichzelf onrein is, alleen voor hem die iets onrein acht, is het onrein. Het is dus mijn geweten; mijn beoordeling van goed en kwaad die bepaalt of het voor mij rein of onrein is. Niet het voedsel of voorwerp op zich is bepalend, maar wat het mij doet.

Paulus geeft in VERS 2-3 voorbeelden waaruit het verschil in opvatting in de gemeente van Rome over de levenswijze van christenen blijkt. Wanneer we die verzen lezen en we weten iets van de achtergrond, dan blijkt, dat Paulus hier vooral doelt op het eten van vlees en het drinken van wijn. De “zwakke in het geloof”, gebruikt bij zijn maaltijd groenten zonder vlees en ook zonder wijn, uit vrees, onwetend overblijfselen van offers aan de afgoden te eten of te drinken.

De geestelijke infectie met het occulte van het heidendom zou via stoffelijke dingen als vlees en wijn kunnen worden overgebracht. Paulus heeft het hier tegen de gemeente te Rome die voor een groot deel uit bekeerde Joden bestond. De Joden waren opgegroeid met de spijswetten. Door die wetten was veel voedsel voor hen onrein.

Uit VERS 14 blijkt hoe Paulus, zelf ook een Jood, daar over denkt. Paulus en andere christenen met hem waren niet bang dat via materiële dingen als voeding de geest van de mens zou kunnen worden verontreinigd. Misschien dachten zij daarbij wel aan de woorden van Jezus: Niet wat de mond binnengaat, maakt de mens onrein, maar wat de mond uitkomt, dat maakt de mens onrein. Zie MATTHÉÜS 15:11.

Hoewel Paulus deze opvatting heeft roept hij de mensen op hun vrijheid in Christus zo te gebruiken, dat anderen geen kwaad kunnen spreken van wat zij zelf goed achten. Zie VERS 16. Inhet Koninkrijk van God gaat het niet om bijkomstigheden maar om het leven door de Heilige Geest. De krachten van de verhoogde Christus komen tot uitdrukking in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest. Dat is een leven waarin je het goede zoekt voor de ander en rekening houdt met zijn/haar gevoelens en gevoeligheden. Wanneer je dat doet werpt dat altijd positieve vruchten af. Zie VERS 17.

VERS 18-19. Wie zich door die Geest laat leiden in zijn werk voor Christus doet God daarmee een genoegen. Zo iemand is welgevallig bij God, en in achting bij de mensen.

We zijn niet geroepen om het werk van God af te breken door elkaar aan te vallen en af te kraken of over elkaar te kletsen, maar om elkaar op te bouwen en verder te helpen op de weg. VERS 20-21.

Voor ons zal de samenstelling van de maaltijd niet zo gauw tot aanstoot of ergernis aanleiding geven. Misschien wel de alcoholische drank die geschonken wordt of het roken van tabak of andere genotsmiddelen. Waarom zouden wij bepaalde mensen hierin aanstoot of ergernis geven wanneer wij weten dat zij dit in strijd achten met een christelijke levenswandel. Er is een hoger belang dan het genot van deze dingen of de samenstelling van de maaltijd, namelijk het bijdragen aan het geluk van onze naaste tot opbouw van de gemeente.

Het gericht zijn op God

Lees VERS 22-23. Het gaat er niet om dat wij onze overtuiging opgeven. Paulus zegt: Houdt gij het geloof dat gij hebt bij u zelf voor het aangezicht van God. God kan worden verheerlijkt door het feit dat wij onze opvattingen soms voor onszelf houden en die overtuiging volgen voorzover wij een ander daarmee geen aanstoot of ergernis geven.

Wij moeten in alles ten volle overtuigd zijn, dat wij het goede zoeken, gericht op de eer van God. Niet een menselijke norm maar een norm die gefundeerd is in ons geloof in Jezus Christus. Want al wat niet uit geloof is, is zonde. Wel moeten wij bij wat wij doen niet twijfelen, want wie twijfelt, is al veroordeeld. Zie VERS 23.

Samenvatting van ROMEINEN 14

Heel in het kort vat Paulus dit hoofdstuk samen met de woorden van ROMEINEN 15:1-3:

“Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden der zwakken verdragen en niet onszelf behagen. Ieder onzer trachte zijn naaste te behagen, ten goede, tot opbouwing, want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar, gelijk geschreven staat: De smaadwoorden van hen, die U smaden, kwamen op Mij neder”.

De sterke moet de gevoeligheden van de zwakke verdragen. Hij moet niet op zijn eigen rechten staan om zichzelf te behagen, zie VERS 1. De sterke moet er altijd op gericht zijn om de ander een genoegen te doen door het goede voor hem/haar te zoeken. En daardoor samen te werken aan de opbouw van het bouwwerk van God, dat is de gemeente. Wanneer iedere christen individueel het goede voor zijn naaste zoekt, wordt de hele gemeente als een tempel van God gebouwd. Vgl. EFEZIËRS 2:21-22.

Het kan een vorm van opoffering zijn om de ander in zijn gevoeligheden te ontzien en te aanvaarden. Het is niet gemakkelijk om je eigen vrijheid ondergeschikt te maken aan het zwakke geloof van mede broeders en zusters. Christus blijft daarin volgens VERS 3 ons voorbeeld. Hij was bereid om smaadheid te dragen. Zullen wij Hem daarin volgen?

Ter verduidelijking van wat Paulus met zijn boodschap wil zeggen is het goed om tot slot nog te lezen wat Paulus schreef in zijn brief aan de CORINTHIËRS 10:23-33.

“Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op. Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is. Al wat in de vleeshal te koop is, moogt gij eten, zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar, want de aarde en haar volheid is des Heren".

Indien een der ongelovigen u uitnodigt en gij wenst te gaan, eet dan alles, wat u wordt voorgezet, zonder dat gij navraag doet uit gewetensbezwaar. Doch indien iemand tot u zegt: Dat is gewijd vlees, eet het dan niet, om hem, die u dat te kennen gaf, èn om het geweten. Ik bedoel nu niet uw eigen geweten, maar dat van die ander. Want waartoe zou mijn vrijheid beoordeeld worden door eens anders geweten?

Indien ik onder dankzegging van iets gebruik maak, hoe kan men kwaad van mij spreken over iets, waarvoor ik dankzeg? Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods. Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente Gods aanstoot; zoals ook ik allen in alles ter wille ben, niet om mijn eigen belang te zoeken, maar dat van zeer velen, opdat zij behouden worden”.

Vragen:

  • Ken je situaties waarin je zelf wel eens door bepaalde dingen, al dan niet onbedoeld aan broeders of zusters ergernis of aanstoot hebt gegeven?
  • Welke gevolgen kan het hebben wanneer je iemand aanstoot of ergernis geeft in het algemeen of in de geloofsgemeenschap waar je toe behoort.
  • In hoeverre wordt je persoonlijke vrijheid aangetast door je tolerantie voor de ander die je geen aanstoot of ergernis mag geven? Hoe ga je met die gevoelens om?
  • Wat is het voorbeeld dat Paulus ons in deze situatie voor ogen stelt? Zie ROMEINEN 15:3.
  • Wanneer stoffelijke zaken, ook wanneer zij in relatie staan met afgodendienst of occulte rituelen ons in principe niet kunnen verontreinigen. Wat is er dan op tegen om b.v. Boeddhabeeldjes e.d. in je huis te hebben? Vgl. EXODUS 20:4-5.
  • Mensen die bang zijn zich te verontreinigen noemt Paulus “de zwakken”. Wie zie jij als “sterken”: de mensen die nauwgezet naar de letter van de wet leven, (b.v. t.a.v. de Zondagsrust of geen alcohol drinken) of de mensen die in vrijheid zelf beoordelen wat goed en kwaad is? Waar moeten “sterken” en “zwakken” voor oppassen?
  • Welk uitgangspunt moet voor allen de basis van hun levenshouding zijn? zie ROMEINEN 14:19 en 15:2.

F. van der Werf.