Deze les is een vervolg op de vorige les waarin het accent lag op de houding van de christen ten aanzien van het gezag van de overheid.

Wij zijn toen onder meer tot de volgende conclusies gekomen: Het gezag is een Goddelijke instelling. Het gezag moet daarom gehoorzaamd worden. Het gezag dat door God is ingesteld in al zijn vormen, gaat altijd, dan wel moet altijd gepaard gaan met rechtvaardigheid en liefde. Gezag is noodzakelijk om alles in goede orde te laten verlopen. Dat geldt voor de hele samenleving. Bij gezag zoals God dat toont in Zijn Woord gaat het niet om het zonder meer opleggen van een wil aan een ondergeschikte. Gezag moet altijd plaatsvinden in het bewustzijn dat je mee verantwoordelijkheid draagt voor degene die onder je geplaatst is.

Gezag moet altijd als kenmerk dragen dat het er op gericht is de ondergeschikte tot zijn of haar recht te laten komen en voorwaarden te scheppen voor welzijn en geluk, met als basis de liefde van God.

Gezag heerst niet maar dient

Gezag van God is niet gericht op heersen maar op dienen en ondersteunen. Een ieder die taken en verantwoordelijkheden heeft ontvangen dient zich bewust te zijn van zijn ondergeschiktheid en verantwoordelijkheid aan God. Dat geldt voor koningen, de hogere overheden, de lagere overheden, dat geldt ook voor voorgangers, kerkbesturen, zoals de raad van een gemeente, bazen t.o.v. knechts, mannen t.o.v. echtgenotes, vaders en moeders t.o.v. hun kinderen enz.

Uit HEBREEËN 13:17 blijkt dat degene die gezag draagt, t.z.t. ook verantwoording zal moeten afleggen aan God voor de manier waarop dat gezag is uitgeoefend; dus: of het gezag rechtvaardig en met liefde is toegepast.

Hoewel Paulus zich in ROMEINEN 13 beperkt tot de overheid is het goed om ook andere categorieën bij dit onderwerp te betrekken.

De gezagsrelatie werkgever – werknemer

In 1 PETRUS 2:18-19 NBV vinden we het een en ander over het gezag van de heer over de slaaf en vooral het respecteren van dat gezag door de slaven:

“Slaven, erken het gezag van uw meesters en heb ontzag voor hen, niet alleen voor de goede en rechtvaardige, maar ook voor de onrechtvaardige. Het is een blijk van genade als iemand, doordat zijn aandacht op God gericht is, in staat is onverdiend leed te verdragen”.

Petrus gaat in de lijn van Paulus verder. Niet alleen de overheid, maar ook de meester van de slaaf. Niet alleen de goede meester, maar ook de slechte, ook al moet de slaaf daaronder lijden. Ik denk niet dat wij daaruit de conclusie moeten trekken, dat Petrus deze slavernij een goede zaak vond. Hij gaat uit van de bestaande situatie en wil aangeven, dat zij in Christus vrij zijn.

Het gehoorzamen in een situatie van slavernij kan lijden met zich meebrengen, maar; “Het is een blijk van genade als iemand, doordat zijn aandacht op God gericht is, in staat is onverdiend leed te verdragen”. Petrus gaat dus niet in op de onrechtvaardigheid van slavernij. Nee, hij richt zich op de waarde van het lijden voor Christus dat van hogere orde is. In de brief aan de gemeente te Efeze, HOOFDSTUK 6:5-8 NBV belicht Paulus nog een andere motivatie voor de gehoorzaamheid van de slaaf aan zijn aardse meester:

“Slaven, gehoorzaam uw aardse meester zoals u Christus gehoorzaamt, met ontzag, respect en oprechtheid; niet met uiterlijk vertoon om bij de mensen in de gunst te komen, maar als slaven van Christus die van harte alles doen wat God wil. Doe uw werk met plezier, alsof het voor de Heer is en niet voor de mensen, want u weet dat allen door de Heer beloond worden voor het goede dat ze doen, zowel slaven als vrije mensen”.

Paulus tilt de ondergeschiktheid van de slaaf (en de werknemer) naar een hoger plan. Ook al vindt de slaaf of werknemer het werk of de werkomstandigheden niet altijd prettig, het gaat om veel meer dan het uitvoeren van opdrachten die hij/zij van de werkgever krijgt.

Je motivatie voor het werk moet in de eerste plaats worden bepaald door je verlangen om de Heer daarmee een genoegen te doen, door Hem welgevallig te zijn. Daarom durft Paulus de slaaf te vragen om hun meester te gehoorzamen met ontzag, respect en oprechtheid. Paulus zegt: ‘Doe je werk met plezier, alsof je het voor de Heer doet in plaats van voor de mensen’. Een belangrijke motivatie die ons kan helpen in onze eigen werksituatie maar ook in de gemeente.

Maar wat houdt de Bijbel dan de managers en de bazen voor? Kunnen zij maar doen wat ze willen? In EFEZIËRS 6:9 NBV zegt Paulus daarover het volgende:

“Meesters, behandel uw slaven op dezelfde manier. Laat dreigementen achterwege, want u weet dat zij en u dezelfde Heer in de hemel hebben, en dat hij geen onderscheid maakt”.

De manier waarop de meester of de werkgever leiding geeft is vaak van grote invloed op het welbevinden van zijn werknemers en hun eventuele families. Een werkgever die de Bijbel als basis voor zijn handelen gebruikt kan tot grote zegen zijn. Helaas zien wij in deze tijd veel leiders van bedrijven die zichzelf bovenmatig verrijken en werknemers slechts beschouwen als productiemiddelen. Om hun economisch doel te bereiken zijn de belangen van werknemers volkomen ondergeschikt. Deze houding staat dus ver af van het gezag zoals God dat bedoelt.

Gezag in het gezin

De Goddelijke orde is een orde van gezag die gekenmerkt wordt door liefde en verantwoordelijkheid. Dat geldt in het bijzonder voor het gezin, dat door velen als de ‘hoeksteen van de samenleving’ wordt beschouwd. In 1 CORINTHIËRS 11:3 beschrijft Paulus deze gezagsorde als volgt: het hoofd van Christus is God, het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd van de vrouw is de man. (volgorde iets door mij gewijzigd).

Beide ouders zijn vervolgens verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen. In KOLOSSENZEN 3:20 NBV lezen wij:

“Kinderen gehoorzaam je ouders in alles, want dat is de wil van de Heer”.

Daarmee wordt de gezagsverhouding tussen ouders en kinderen aangegeven. Het gebod: Toon eerbied voor uw vader en uw moeder ligt hieraan ten grondslag. Zie EXODUS 20:12 NBV. Het is belangrijk dat in de opvoeding dit verschil in positie en verantwoordelijkheid niet verwatert. God heeft het geluk en welzijn van het gezin van deze structuur afhankelijk gesteld. Naarmate een kind meer in staat is om zelf verantwoorde keuzes te maken zal het leiden door de ouders overgaan in begeleiding naar zelfverantwoordelijkheid en volwassenheid. De geestelijke opvoeding en het voorleven van het christen zijn vormen daarbij een belangrijke taak. De manier waarop die plaatsvindt, kan van beslissende invloed zijn voor de ontwikkeling van het kind.

Het gezag van de man over zijn vrouw

Een mooie omschrijving daarvan geeft Paulus in EFEZIËRS 5:22-30 NBV:

“Vrouwen, erken het gezag van uw man als dat van de Heer, want een man is het hoofd van zijn vrouw, zoals Christus het hoofd is van de kerk, het lichaam dat hij gered heeft. En zoals de kerk het gezag van Christus erkent, zo moeten vrouwen in ieder opzicht het gezag van hun man erkennen.

Mannen, heb uw vrouw lief, zoals Christus de kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft prijsgegeven om haar te heiligen, haar te reinigen met water en woorden en om haar in al haar luister bij zich te nemen, zodat ze zonder vlek of rimpel of iets dergelijks zal zijn, heilig en zuiver.

Zo moeten mannen hun vrouw liefhebben, als hun eigen lichaam. Wie zijn vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief. Niemand haat ooit zijn eigen lichaam, integendeel: men voedt en verzorgt het, zoals Christus de kerk, want dat is zijn lichaam en wij zijn de ledematen”.

Onderwerping en gehoorzaamheid. Het zijn zaken die zeker in deze tijd tegen ons gevoel indruisen. De moderne mens wil niet langer gebonden zijn aan regels die het recht op zelfbeschikking inperken. Dat geldt zeker voor het onderdanig zijn van de echtgenote aan haar man. In veel huwelijksbevestigingen wordt de belofte van onderdanigheid daarom vaak weggelaten.

Dat komt denk ik omdat de onderdanigheid van de vrouw ten onrechte wordt uitgelegd als een positie van ‘mindere waarde’ van de vrouw. In de Goddelijke orde die ook Paulus als uitgangspunt neemt gaat het veel meer om de plaats die men heeft in het dragen van verantwoordelijkheid voor elkaar.

Het gedeelte uit de Efeze brief accentueert de waardevolle positie van de vrouw en de taak van de man om haar in Christus verder te volmaken en tot haar recht te laten komen. Van de man wordt bovendien verwacht dat hij zijn vrouw liefheeft als zijn eigen lichaam. Dat de man het hoofd is van zijn vrouw brengt geen machtspositie met zich mee, maar een bijzondere verantwoordelijkheid, gericht op ontplooiing, liefdevolle zorg en bescherming.

Dat is te vergelijken met de wijze waarop Christus fungeert als hoofd van de gemeente/kerk. Hij die als Hoofd de voeten waste van zijn discipelen. Die niet heerste maar diende en zijn leven prijs gaf om ons te redden. Vaders hebben een belangrijke en priesterlijke verantwoordelijkheid waarvoor zij op hun beurt verantwoording moeten afleggen aan Christus.

Het gezag van de voorgangers

Over deze vorm van gezag lezen we in HEBREEËN 13:17:

“Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u (aan hen), want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen. Laten zij het met vreugde kunnen doen en niet al zuchtende, want dat zou u geen nut doen”.

Voorgangers hebben gezag ontvangen, maar dragen ook verantwoordelijkheid voor het geestelijke welzijn van de gemeente. Zij zullen daarvoor ook verantwoording moeten afleggen aan de Heer van de gemeente. Wel hebben ook de gemeenteleden hun verantwoordelijkheid om de voorgangers in hun taak te ondersteunen. Niet voor niets vraagt Paulus in zijn brieven of de gemeenten ook voor hem willen bidden, zodat zijn werk goed kan doorgaan.

Als afsluiting van ROMEINEN 13 doet Paulus nog een uitdrukkelijke oproep om elkaar lief te hebben.

Leven vanuit de liefde

Lezen - ROMEINEN 13:8-14.

“Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld. Want de geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren en welk ander gebod er ook zij, worden samengevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet.

Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts! Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar wandelen, niet in brasserijen en drinkgelagen, niet in wellust en losbandigheid, niet in twist en nijd! Maar doet de Here Jezus Christus aan en wijdt geen zorg aan het vlees, zodat begeerten worden opgewekt”.

Als wij dit gedeelte lezen, dan gaat het hier om het leven vanuit de liefde van God die in ons woont. Het leven uit de gezindheid van Christus.

Die liefde moet zijn uitwerking ook hebben in de relatie tot de ander. Het gaat hier dus niet om het plichtmatig naleven van de wet. Paulus zegt meteen al in VERS 8 dat wie de ander liefheeft, de wet heeft vervuld. Hij herhaalt dat in een ander verband in VERS 10. De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet.

Waarom moet de liefde de basis van onze houding en ons gedrag zijn? Paulus noemt in VERS 9 een aantal argumenten:

  • Als je vanuit de liefde leeft heb je eigenlijk alles gedaan wat de wet voorschrijft.
  • Het liefdesprincipe is een bescherming voor het huwelijk - gij zult niet echtbreken.
  • Het is een bescherming van het leven - gij zult niet doodslaan.
  • Het is een bescherming van het bezit - gij zult niet stelen.
  • De liefde weerhoudt je van verkeerde verlangens - gij zult niet begeren… iets wat van je naaste is, Enz.

In VERS 11-12 plaatst Paulus de nieuwe levenswandel en de uitwerking daarvan in ons gedrag in het perspectief van de wederkomst van Christus. Hij wil de christenen in Rome als het ware wakker schudden en hun bepalen bij de ernst van de tijd. Het doet een beetje denken aan het verhaal in MATTHÉÜS 25 van de wijze en de dwaze maagden. Ze vielen allemaal in slaap, maar de wijze maagden hadden genoeg olie in hun lampen toen het er op aan kwam.

Paulus verwachtte elk ogenblik de terugkeer van Jezus Christus. Hoeveel te meer zullen wij wakker moeten zijn nu inmiddels al weer 2000 jaar zijn verstreken. Paulus zegt: “De nacht is vergevorderd, de dag is nabij”. Hij wil dat de wederkomst van Christus ons inspireert om nog meer dan voorheen de werken der duisternis - dat wil zeggen de wereldgezindheid - af te leggen. Hij noemt daarbij een aantal concrete zaken in VERS 13-14:

  • Eerbaar wandelen
  • Geen brasserijen en drinkgelagen
  • Geen wellust en losbandigheid
  • Geen twist en nijd
  • Wijdt geen zorg aan het vlees, zodat begeerten worden opgewekt

De vraag is welke dingen Paulus in onze tijd zou hebben genoemd. Ik denk dat er niet zoveel fantasie voor nodig is om dat te bedenken. Duisternis staat voor het oude leven, het leven als slaaf van de zonde, het leven zonder God, dat tot de dood voert.

We moeten niet alleen het verkeerde afleggen, maar we moeten ons ook bewapenen met de wapenen des lichts, VERS 12. Het licht dat is de Goddelijke gerechtigheid. Over de wapenrusting die wij nodig hebben lezen we meer in de brief van Paulus aan Efeze, HOOFDSTUK 6:10-18. Uit VERS 14 blijkt wel, dat het Paulus in feite gaat om het leven in Christus. Hij zegt, doe dingen die God graag ziet:

  • Doet de Here Jezus Christus aan
  • Doe Jezus Christus aan als een kleed dat je omhult
  • Leef vanuit de liefde van God
  • Leef gericht op het goede, het welgevallige en het volkomene

Dan gaat het om veel meer dan een plichtmatig uitvoeren van de dingen die hiervoor genoemd zijn. Dan gaat het om een verlangen om steeds dichter naar de Heer toe te groeien. Een verlangen om steeds meer te gaan lijken op Jezus.

Vragen:

  • Hoe beleef jij de gezagsverhoudingen binnen je werksituatie of opleiding? Is die in overeenstemming met de relatie zoals die vanuit bijbels oogpunt zou moeten zijn? Kun je mensen daar op aanspreken?
  • Moet een christen ook opdrachten uitvoeren die in strijd zijn met de wil van God maar die wel in de landelijke wetten zijn gelegaliseerd? (Denk als voorbeeld aan het meewerken als verpleegster aan abortus etc.; de notaris en het samenlevingscontract etc.) Lees HANDELINGEN 5:29. Hoe werkt dat in de praktijk?
  • In welk opzicht voldoen de relaties binnen het gezin waar je toe behoort of een gezin dat je van nabij kent aan de Bijbelse uitgangspunten van gezag en gehoorzaamheid? Zie je de positieve of negatieve gevolgen daarvan in geestelijk opzicht, zo ja welke?
  • Ken je situaties in je werk of in de gemeente waarin je motivatie een nieuwe impuls kan krijgen door je bewust te maken dat je het voor de Heer doet en niet voor de mensen? Is deze houding ook toe te passen in een goede werkrelatie?
  • Waarom is de liefde de vervulling van de wet? Welke relatie is er tussen die twee? Zou je dat kunnen doortrekken naar de wetten van ons land? Zo ja, zie je als christen dan ook wetten die niet in overeenstemming zijn met de liefde en de wil van God?
  • Ken jij wel eens het gevoel van een zekere sleur in je geloofsleven?
  • Leef je echt in de verwachting dat de komst van Christus dichtbij is? Waarom is dat belangrijk?
  • Welke relatie zou er bestaan tussen de intensiteit van je geloofsleven en de verwachting van Christus’ komst?

F. van de Werf.