Wanneer Paulus schrijft over onze verhouding tot de overheid, dan sluit hij aan bij wat hij eerder heeft gezegd over de levenshouding van de gelovige. In deze bijbelstudie willen wij het onderwerp Christen en gezag wat meer uitdiepen en ook andere bijbelgedeelten daarbij betrekken.

In hoofdstuk 12, dat we al eerder hebben behandeld, staat:

“En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt onderkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallene en volkomene” ROMEINEN 12:2.

Dit gedeelte gaat ook weer over de praktische uitwerking van ons geloof. De gezindheid van Jezus Christus moet ook vorm krijgen in onze houding ten opzichte van de overheid.

Lezen - ROMEINEN 13:1-7

“Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld. Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen. Want, als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de overheidspersonen, maar wel, als hij verkeerd handelt.

Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen. Zij staat immers in dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in de dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die kwaad bedrijft. Daarom is het nodig zich te onderwerpen, niet slechts om de toorn, maar ook om des gewetens wil. Daarom brengt gij toch ook belastingen op; want zij zijn dienaren Gods, die juist op dit punt voortdurend letten. Betaalt aan allen het verschuldigde, belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eerbetoon aan wie eer toekomt”.

Onze verhouding tot de overheid

Wat wordt hier met overheid bedoeld? Voor de toenmalige wereld en zeker voor de christenen in Rome bestond deze uit de keizer en de senaat, maar natuurlijk ook uit de lagere gezagsdragers zoals stadhouders, het leger en de belastingambtenaren.

Wij kennen in grote lijnen de rijksoverheid, de provinciale en de gemeentelijke overheid met al hun uitvoeringsorganen, waaronder de belastingen, het leger en de politie. Paulus begint dit gedeelte met te verklaren, dat het gezag een goddelijke instelling is.

Vanaf de zestigerjaren is het denken over gezag, over hiërarchie, over gehoorzaamheid en ondergeschiktheid totaal verandert. De hiërarchie is afgebrokkeld. Organisaties zijn vlak geworden. Leiding is veranderd in ondersteuning. De relatie leerkrachten - kinderen en ouders - kinderen is niet meer die van ondergeschiktheid, maar die van gelijkheid. De politie is onze vriend en hulpverlener geworden en ga zo maar door.

Het logische gevolg van het ontbreken of het uithollen van het gezag zien wij onder meer bij de politie. Groepen jongeren zien kans hun omgeving ongestraft te terroriseren en agenten te molesteren. De hoogste gezagsdragers als de koningin en de minister-president mogen zonder bezwaar in de publieke media bespot en belachelijk worden gemaakt.

Ik denk dat er bij deze ontwikkeling, een directe relatie bestaat met de moderne filosofie die het geloof in God en daarmee de door Hem ingestelde gezagsverhoudingen als achterhaald beschouwt. Dat geldt ook voor de bijbelse normen en waarden. Ze passen niet in het denken over het recht tot zelfbeschikking. Denk maar aan de slogan: Baas in eigen buik’. De mens wordt steeds meer zichzelf tot norm in wat hij goed of slecht vindt.

Onbeperkte vrijheid groeit echter uit tot losbandigheid. De gevolgen daarvan zijn maar al te zichtbaar in onze samenleving. Vrijheid vraagt om regels en verantwoordelijkheid.

Gehoorzaamheid aan het gezag is een voorwaarde voor het goed functioneren van een samenleving in al zijn facetten mits dit gezag goed wordt gehanteerd. Een maatschappij die Gods gezag verwerpt roept veel onheil over zich af.

In VERS 1 zegt Paulus:

“Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld”.

Daar lezen we misschien gemakkelijk overheen, maar er zit toch een addertje onder het gras. Paulus wist wie de keizer van Rome was. De Romeinse keizers kwamen in de regel aan de macht door hun voorganger uit de weg te ruimen en vaak al hun politieke tegenstanders er bij. Ze veroverden gebieden en moordden soms hele volksstammen uit om hun macht te vestigen.

De joden in de gemeente te Rome hadden al eens kennis gemaakt met de onrechtvaardigheid van de heidense overheid. Er was net een periode van vervolging geweest. De christelijke belijdenis: “Jezus is Heer” was een voortdurend protest tegen de religieuze verering van de keizer. Ondanks dat, vraagt Paulus van de christenen in Rome om zich te onderwerpen aan dit heidense gezag. Paulus stelt niet de vraag hoe de keizer aan de macht gekomen is. Hij constateert alleen, dat hij nu eenmaal boven de mensen staat.

Gehoorzaamheid kent zijn grenzen

De Hogepriester en de Raad zeggen hier tegen Petrus en de apostelen:

“‘Hebben wij u niet nadrukkelijk verboden de naam van Jezus nog te gebruiken en onderricht over hem te geven? En toch verspreidt u uw leer in heel Jeruzalem en stelt u ons aansprakelijk voor de dood van deze man.’ Petrus en de andere apostelen antwoordden: ‘Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen’” HANDELINGEN 5:28-29.

Er is dus een grens aan dat gehoorzamen. Het gezag moeten wij gehoorzamen, zolang dat gezag niet in concrete dingen ingaat tegen het hogere gezag van God. Een mooi voorbeeld is wat we lezen in DANIËL 3:8-12. Hier zijn drie joodse ballingen, aan wie zelfs het bestuur van het gewest Babel is opgedragen, maar die niet doen wat hun gezagsdrager, Nebukadnessar, gebiedt. Waarom gehoorzamen zij Nebukadnessar niet? Omdat de opdracht in strijd is met de gehoorzaamheid aan de opdracht van het hoogste gezag, n.l. God zelf.

Paulus heeft zich bij zijn opmerkingen over de onderwerping aan de overheden gerealiseerd, dat, hoe onwettig het gezag van Rome in oorsprong ook was, het wel de vrede over de hele toenmalige wereld garandeerde. Het Romeinse rijk bood onbedoeld de mogelijkheid om het evangelie zonder belemmeringen over de hele beschaafde wereld te verspreiden.

Het is niet alleen Paulus, (die het Romeinse burgerschap door geboorte bezat,) die deze opvatting huldigde maar van Petrus lezen we het zelfde. Zie 1 PETRUS 2:13-17 NBV

“Erken omwille van de Heer het gezag van de bestuurders die door de mensen zijn aangesteld: van de keizer, de hoogste autoriteit, en van de gouverneurs, die hij heeft afgevaardigd om misdadigers te straffen en om te belonen wie het goede doen. God wil namelijk dat u door het goede te doen onwetende dwazen de mond snoert.

Leef als vrije mensen, en verschuil u niet achter uw vrijheid om u te misdragen, maar handel als dienaren van God. Houd iedereen in ere, heb uw broeders en zusters lief, heb ontzag voor God en eerbiedig de keizer”.

Paulus komt dan in VERS 2 met de uitspraak:

“Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen zullen een oordeel over zich brengen”.

Ook Jezus zelf zegt daarover iets, wat we lezen in MATTHÉÜS 22:21 NBV:

“Daarop zei hij tegen hen: ‘Geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’”

Jezus predikt duidelijk geen verzet tegen de Romeinen die het land bezet hielden. De woorden van Paulus vinden dus hun grondslag in het evangelie van Jezus Christus. Wie zich tegen de overheid, of eigenlijk het gezag van de overheid verzet, verzet zich tegen de instelling van God. We moeten hieruit wel de volgende conclusie trekken;

  • Het gezag is een Goddelijke instelling.
  • Het gezag moet daarom gehoorzaamd worden.
  • Wie het gezag aantast of tegen het gezag opstaat, b.v. door een revolutie, haalt een oordeel over zich.

Aan de andere kant is het zo, dat deze gehoorzaamheid aan de overheid niet van toepassing is wanneer het handelen van die overheid in strijd is met de wil van God zoals die ons in Zijn Woord geopenbaard is. Dat was ook de reden dat christenen in de Romeinse tijd vervolgd werden. Zij waren niet bereid de keizer als God en Heer te vereren en konden niet meedoen aan de afgodendienst. Daarmee plaatsten zij zich zelf min of meer buiten de gewone samenleving en werden zij vaak ook als een bedreiging daarvan gezien.

Vooral wanneer het gaat om een corrupt en/of gewelddadig regiem zoals b.v. het Duitse Rijk onder Hitler, dat er voor zorgde dat 6 miljoen Joden werden omgebracht lijkt mij het verzet tegen de slechte daden van zulk een regiem volkomen gerechtvaardigd. Toch waren er tijdens de tweede wereldoorlog heel wat christenen die daardoor in gewetensnood kwamen.

Wij kennen in deze tijd ook de geweldloze massale protestbijeenkomsten die soms tot de val van een (verkeerde) regering leiden. Een ieder zal zelf moeten bepalen waar het God meer gehoorzamen dan de mensen van toepassing is, zonder daarbij het bijbelse principe geweld aan te doen.

Ieder mens, zegt Paulus moet zich aan het gezag onderwerpen. We zijn dus niet gelijk aan, maar ondergeschikt aan het gezag. Dat God zich ook zelf daadwerkelijk bezig houdt met het aanstellen van overheden blijkt o.a. uit 1 SAMUËL 15:1 EN 16:1:

“Samuël zeide tot Saul: Mij heeft de HERE gezonden om u tot koning te zalven over zijn volk, over Israël; nu dan, luister naar de woorden des HEREN (…) De HERE zeide tot Samuël: Hoelang zult gij nog leed dragen over Saul, en Ik heb hem toch verworpen, dat hij geen koning meer over Israël zal zijn? Vul uw hoorn met olie en ga heen: Ik zend u naar de Betlehemiet Isaï, want onder zijn zonen heb Ik Mij een koning uitgezocht”.

Hier zien we heel duidelijk hoe God soms zelf mensen aanwijst als koning, als gezagsdragers van het volk Israël. Elke koning zou een gezalfde moeten zijn. In de koninklijke besluiten van Nederland staat: ‘Wij Beatrix, bij de gratie Gods koningin der Nederlanden…’ Daarin vinden we nog die onderwerping van de koning aan het Goddelijke gezag.

Het gezag gaat altijd van boven naar beneden. Het begint bij God. Hij heeft het hoogste gezag. Elk lager gezag zal zich moeten richten en zich moeten toetsen aan de wil van God!

Een ieder die taken en verantwoordelijkheden heeft ontvangen dient zich bewust te zijn van zijn ondergeschiktheid en verantwoordelijkheid aan God. Dat geldt voor koningen, de hogere overheden, de lagere overheden, voorgangers, kerkbesturen, zoals de raad van een gemeente, bazen t.o.v. knechts, mannen t.o.v. echtgenotes, vaders en moeders t.o.v. hun kinderen, enz.

Het gezag dat door God is ingesteld in al zijn vormen, moet altijd gepaard gaan met rechtvaardigheid en liefde.

Het gaat dus niet om het autoritair opleggen van een wil. Maar gezag is ook altijd een verantwoordelijkheid om degene die onder je geplaatst is tot zijn of haar recht te laten komen en voorwaarden te scheppen voor welzijn en geluk, met als basis de liefde van God.

Aan die verantwoordelijkheid verbindt God Zijn gezag. Hij wil dat dit gezag door de mindere wordt aanvaard met het tonen van gehoorzaamheid en respect en zelfs onderwerping. Anderzijds blijkt b.v. uit HEBREEËN 13:17 dat degene die gezag draagt, t.z.t. ook verantwoording zal moeten afleggen aan God voor de manier waarop dat gezag is uitgeoefend; dus: of het gezag rechtvaardig en met liefde is toegepast.

De onderwerping is niet een kwestie van angst voor de straf, maar vindt plaats met het oog op een zuiver geweten. Lees VERS 5. Het gaat er immers om dat wij het goede, welgevallige en volkomene doen.

Het is duidelijk dat het belangrijk is om te bidden voor allen die boven ons gesteld zijn, zoals ook blijkt uit 1 TIMÓTHEÜS 2:1-2. Indeze verzen roept Paulus op om:

“allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid”.

In Nederland zijn gelukkig christelijke partijen die - als het goed is - de Bijbel als grondslag voor hun politiek handelen gebruiken. Een christen is ook geroepen om actief invloed uit te oefenen op zijn omgeving en op de samenleving. Christen zijn doordringt alles. Je bent een zoutend zout. Dat geldt ook voor je politieke keuzes. Onderschat nooit de invloed die een echte christen op zijn omgeving kan hebben.

In VERS 4 wordt de overheid aangeduid als toornende wreekster voor hem die kwaad doet. De echte toorn is de komende toorn van God. Maar die toorn kan ook nu al zichtbaar worden in het zwaard van de overheid.

Het voldoen aan maatschappelijke verplichtingen, zie VERS 6-7

Als je in de gezindheid van Christus staat en het goede wilt doen, dan voel je jezelf ook mee verantwoordelijk en hoor je aan je maatschappelijke verplichtingen te voldoen.

In de redenering van Paulus wordt ook de belastingambtenaar een dienaar van God. Waarom? Omdat hij het mogelijk maakt, dat er financiële middelen geïnd worden die ten goede komen aan de samenleving als geheel. Paulus wil, dat de gemeente te Rome zich voegt onder het gezag van de overheid en positief voldoet aan de eisen die niet ingaan tegen Gods gezag.

Onderwerping en gehoorzaamheid. Het zijn vaak zaken die zeker in deze tijd tegen ons gevoel indruisen. Toch moeten wij ons realiseren dat God in Zijn wijsheid leefregels heeft gegeven en het gezag heeft ingesteld om een samenleving te vormen waar het niet gaat om ieder voor zich, maar waarin wij voor elkaar verantwoordelijk zijn gesteld.

Vragen:

  • In ROMEINEN 13:1 staat dat ieder mens zich moet onderwerpen aan de overheden die boven hem staan. Wat betekent dat voor b.v. christenen in moslimlanden of communistische landen die geen vrijheid van godsdienst hebben en/of vervolgd worden? Moet je een regiem gehoorzamen dat tegen Gods geboden ingaat?
  • Ieder mens, zegt Paulus moet zich aan het gezag onderwerpen. We zijn dus niet gelijk aan, maar ondergeschikt aan het gezag. Heb je moeite met het ondergeschikt zijn? Waar zou dat van komen?
  • Welke vormen van gezag kom je tegen in je eigen leven? Is het wel eens voorgekomen dat je een bepaalde vorm van gezag niet kon gehoorzamen omdat het tegen de wil van God inging? Kun je daar voorbeelden van geven?
  • Vanaf de zestigerjaren in de vorige eeuw is het denken over gezag totaal veranderd. Wat zijn de gevolgen van deze omwenteling voor onze samenleving en ons zelf? Wat vind je van de beeldvorming via de media rond ons koningshuis en andere gezagsdragers?
  • Heeft een christen ook een verantwoordelijkheid t.o.v. de politiek? Is er voor een christen een scheiding tussen kerk en staat? Waarom wel, waarom niet?

In les 21 zullen we dit onderwerp nog wat meer uitdiepen.

F. van der Werf.