In dit hoofdstuk gaat Paulus in op de vragen: “Heeft God zijn volk verstoten?” En: “Is Israël zo gestruikeld, dat zij wel vallen moest?” Hij toont aan dat God Israël niet als geheel verworpen heeft, zoals je uit ROMEINEN 10:16-21 zou kunnen concluderen. Integendeel.

De uitzonderingspositie die het volk tot nu toe innam is weliswaar tot een einde gekomen, maar in het, in Christus gelovige deel, bestaan Israël en Gods beloften toch voort. Dat een groot deel van Israël niet naar de roeping van God door de eeuwen heen heeft geluisterd, betekent niet, dat de misstap of de val van Israël zinloos is geweest.

God kan dingen, die op zich genomen slecht zijn, gebruiken om Zijn plan uit te voeren. Vroeger was het zo, dat God Israël aannam en de heidenen uitsloot. De Heidenen en de christenen die uit de Heidenen voortgekomen zijn moeten nu niet tot de hoogmoedige conclusie komen, dat God de Heidenen aanneemt en de Israëlieten uitsluit.

In het laatste gedeelte van dit hoofdstuk spreekt Paulus de verwachting uit, dat zich in de toekomst een massale bekering van de Heidenen zal voltrekken. Die bekering zal Israël op haar beurt ook weer massaal in beweging brengen en ertoe leiden, dat dan ook heel Israël tot geloof zal komen en behouden zal worden.

Lezen - ROMEINEN 11:1-7

“Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers zelf een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin. God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet, wat het schriftwoord zegt in de geschiedenis van Elia, als hij Israël bij God aanklaagt: Here, uw profeten hebben zij gedood, uw altaren hebben zij omvergehaald; ik ben alleen overgebleven en mij staan zij naar het leven.

Maar wat zegt de godsspraak tot hem? Ik heb Mij zevenduizend man doen overblijven, die hun knie voor Baal niet hebben gebogen. Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade. Indien het nu door genade is, dan is het niet meer uit werken; anders is de genade geen genade meer. Wat dan? Hetgeen Israël najaagt, heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen, en de overigen zijn verhard”.

Gods beloften voor Israël zullen worden vervuld aan een overblijfsel

In deze perikoop vinden we twee voorbeelden van Gods trouw aan Israël.

  1. Paulus, die zelf ook een Israëliet is, maar die zich geen Jood mag noemen, omdat hij slechts uit de stam van Benjamin afkomstig is, wordt door God uitverkoren voor een belangrijke taak. Dat geeft al aan, dat God voor de verkondiging niet buiten Israël omgaat. Vgl. VERS 1. Paulus noemt dit als een bewijs, dat God Israël niet verstoten heeft. Paulus behoort zelf tot het overblijfsel van Israël waarmee God Zijn weg gaat. Hij had immers ook iemand uit de Heiden-wereld kunnen roepen.

In 1 TIMÓTHEÜS 1:16 staat:

“Maar hiertoe is mij ontferming bewezen, dat Jezus Christus in de eerste plaats in mij (Paulus) zijn ganse lankmoedigheid zou bewijzen tot een voorbeeld voor hen, die later op Hem zouden vertrouwen ten eeuwigen leven”.

  1. Het tweede voorbeeld waaruit blijkt, dat God trouw blijft aan Israël is, dat Hij 7000 getrouwen in de tijd van Elia had overgelaten die de knie niet voor Baäl hadden gebogen. We kunnen verder ook denken aan mannen als Daniël en zijn vrienden, aan Ezra en Nehemia in de Babylonische ballingschap. Zo is er geen tijd geweest in de geschiedenis van Israël dat er geen mensen waren die God van harte dienden. In die zin is elke bekeerde Jood een waarborg en een toonbeeld van het herstel van Israël.

In VERS 5 staat, dat er een overblijfsel is gelaten naar de verkiezing der genade. Als het om de werken ging had God ons en Israël al lang kunnen afschrijven. Het uitverkoren deel van Israël heeft volgens VERS 7 gekregen wat Israël najaagde. Wat was het dan wat Israël najaagde? De gerechtigheid.

De anderen zijn verhard. “God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden”. Dat gebeurde niet omdat zij niet anders konden, maar omdat de uitverkorenen niet wilden luisteren naar de stem van God. Israël wilde gerechtigheid verwerven door werken der wet te doen. Zij dachten de gerechtigheid van God te kunnen verdienen. Maar Israël en wij zijn aangewezen op de genade van God door Jezus Christus.

Lezen - Romeinen 11:8-24

“Gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden. En David zegt: Hun tafel worde tot een strik en een net, en tot een aanstoot en vergelding voor hen. Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien, en doe hun rug voorgoed zich krommen.

Ik vraag dan: zij zijn toch niet zo gestruikeld, dat zij wel vallen moesten? Volstrekt niet! Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen, om hen tot naijver op te wekken. Betekent nu hun val rijkdom voor de wereld en hun tekort rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!

Ik spreek tot u, heidenen. Juist omdat ik apostel der heidenen ben, acht ik dit de heerlijkheid van mijn bediening, dat ik zo mogelijk de naijver van mijn vlees en bloed mocht opwekken, en enigen uit hen behouden. Want, indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden?

Zijn de eerstelingen heilig, dan ook het deeg, en is de wortel heilig, dan ook de takken. Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn en gij als wilde loot daartussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen, beroem u dan niet tegen de takken! Indien gij u ertegen beroemt; niet gij draagt de wortel, maar de wortel u. Gij zult dan zeggen: er zijn takken weggebroken, opdat ik als loot geënt zou worden. Goed! Zij zijn om hun ongeloof weggebroken en gij staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees!

Want indien God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen. Let dan op de goedertierenheid Gods en zijn gestrengheid: over de gevallenen gestrengheid, maar over u goedertierenheid Gods, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden. Maar ook zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder geënt worden; God is immers bij machte hen opnieuw te enten. Want indien gij uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort, weggekapt en tegen uw natuur op de edele olijf geënt zijt, hoeveel te meer zullen dezen, naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden”.

De verwerping van Israël is van tijdelijke aard

In VERS 11 wordt gezegd dat Israël toch niet zo gestruikeld is dat zij wel moesten vallen. Hun val werd veroorzaakt door hun ongeloof en het falen in hun roeping. Maar God heeft de val (de misstap) van Israël op een wonderlijke wijze gebruikt om zijn heilsplan te vervullen. Dat plan bestond al vóór de grondlegging van de wereld; n.l., dat de gerechtigheid door het geloof in Jezus Christus door de verkiezende genade van God zich ook zou uitstrekken tot de heidenen.

De Heidenen zouden daardoor de Joden tot jaloersheid opwekken. Paulus laat in dit gedeelte toch heel duidelijk uitkomen, dat hij een bijzondere achting heeft voor Israël. Hij zegt: “Wanneer hun val al rijkdom betekent voor de wereld en hun tekortschieten rijkdom voor de heidenen, hoeveel rijker zal het dan wel zijn wanneer Israël tot zijn volheid komt” VERS 12.

Paulus zegt eigenlijk: Wat zouden er geweldige dingen gebeuren als heel Israël massaal tot bekering zou komen. Het geloof van de christenen moet hen daartoe dus aansporen. Israël moet jaloers op ons worden. De geschiedenis heeft dat helaas erg in de weg gestaan.

Die volheid waarover Paulus het heeft in VERS 12 kun je ook uitleggen in de zin van: Israël zal niet meer tekort schieten, maar volledig tot zijn doel komen als een volk waarmee God Zijn plannen kan uitvoeren. Uit VERS 14 blijkt wel, dat Paulus dat nog niet op korte termijn ziet gebeuren. Hij hoopt dat hij door zijn prediking enkelen van hen zal mogen behouden.

Wij lezen in VERS 15: “Want, indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit de doden”. Het ‘leven uit de doden’ symboliseert het ontwaken uit de geest van een diepe slaap. Het zal een geweldig wonder zijn; een soort wereldlente. Als Israël eenmaal terug zal keren tot God dan zijn de gevolgen niet te overzien. In een mogelijk massale omkeer zal Israël de nog ongelovige Heidenen meeslepen en opstandingleven brengen in een verloren wereld. Wanneer Israël het aanbod van de verzoening door Jezus Christus heeft aangenomen zal dit leiden tot een leven van waarachtig geloof en vurige liefde. Dat Israël als geheel behouden zal worden lezen we in VERS 25-26. Daarover straks meer.

In VERS 16 gaat Paulus terug naar de bijzondere positie van Israël. (zie boven). Bij het woord ‘eerstelingen’ denken we aan de heffing voor de Heere van de eerste vruchten van de graanoogst. NUMERI 15:20-21 vermeldt:

“De eerstelingen van uw gerstemeel zult gij, in de vorm van een koek, als heffing geven; gelijk gij een heffing geeft van uw dorsvloer, zo zult gij het als een heffing geven. Van de eerstelingen van uw gerstemeel zult gij de HERE een heffing geven, van geslacht tot geslacht”.

Van graan maak je deeg. Dat is dan ook heilig. Eerstelingen zijn echter ook de gelovigen in de lijn van Abraham. Zijn de gelovige nakomelingen van Abraham heilig, dan is ook het gelovige deel van Israël heilig. Paulus gaat verder met te zeggen: Is de wortel heilig, dan ook de takken. Met de wortel wordt Abraham bedoeld. Hij staat aan de basis van het verbond met God, dat leidde tot gerechtigheid door geloof. Zie ROMEINEN 4:16-17. God had dit verbond gesloten met Abraham en het gold in de eerste plaats voor zijn nageslacht.

Vanaf VERS 17-24 (zie boven) maakt Paulus gebruik van een voorbeeld om duidelijk te maken welke rangorde er is in Gods verkiezing. Het voorbeeld van de olijfboom met zijn wortel en zijn takken. Abraham moeten wij in dit verband zien als de wortel en Israël als de takken. Enkele van de takken zijn weggebroken. Dat zijn de Israëlieten die in hun ongeloof verhard zijn.

De Heidenen moeten dat feit niet onderschatten. Zij moeten begrijpen wat dat God gekost heeft. In Abraham “de wortel” heeft God het volk geheiligd en gezegend. Vgl. VERS 28. Zij hebben in de bijzondere tegenwoordigheid van God mogen leven en hebben daar ook de invloed van ondergaan. Voor hen gold: de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften en uit hun geslacht werd ook de Christus geboren. Zie ROMEINEN 9:4-5. God had hen door de daad van de besnijdenis tot Zijn bijzonder eigendom verklaard.

De christenen uit de Heidenen zijn volgens VERS 17 slechts als een wilde loot op de edele stam geënt. Wij mogen als christenen uit de Heidenen dus wel de nodige bescheidenheid in acht nemen t.o.v. Israël. Wanneer Israël voor God zou hebben afgedaan, dan zou er ook geen toekomst meer zijn voor de gemeente; immers de wortel van Israël, (Abraham), is ook de basis van de gemeente.

Paulus waarschuwt ons in VERS 22 om te letten op de reden waarom takken van Israël zijn weggekapt. God is rechtvaardig, maar ook streng. Als dat al geldt voor de Joden, hoeveel temeer dan ook voor christenen uit de Heidenen. Dat vraagt om toewijding en levensheiliging. Wij moeten de Almacht van God niet onderschatten. Hij vraagt van ons om aan Zijn wil te gehoorzamen en Hem met hart en ziel te dienen en lief te hebben.

Lezen - Romeinen 11:25-32

“Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.

Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing zijn zij geliefden om der vaderen wil. Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk. Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart, maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid, zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden. Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen”.

De belofte van Israël’s herstel

In dit gedeelte geeft Paulus een prachtig toekomstperspectief voor Israël. In VERS 25-26 staat dat, wanneer de volheid der Heidenen binnengaat, d.w.z. wanneer de grote stroom van Heidenen Christus heeft aangenomen dan ook heel Israël behouden zal worden. Dat hoeft overigens niet te betekenen, dat eerst alle Heidenen bekeerd moeten zijn voordat de Joden allemaal behouden zullen worden. Bij “volheid” kunnen we denken aan “voltalligheid”, d.w.z. dat het getal van de Heidenen vol is.

De verharding en de geest van diepe slaap blijkt dus pas opgeheven te worden als het getal van de Heidenen vol is. Dat is het moment waarop de doelstelling van God is gehaald. Dat is wellicht tevens het tijdstip van de opname van de gemeente van Christus. Zie 1 THESSALONICENZEN 4.

Er zijn Theologen die denken dat de volheid der Heidenen al is ingegaan toen het christendom onder keizer Constantijn tot wereldgodsdienst werd verheven. Ik denk dat de werkelijkheid aantoont dat van een massale bekering van Israël tot nu toe geen sprake is geweest. Ook kunnen wij helaas niet stellen, dat de christenen door hun massale bekering de Joden tot jaloersheid hebben kunnen verwekken. De houding van de christenen ten opzichte van de Joden heeft eerder hun bekering in de weg gestaan.

Op dit moment leven we feitelijk in een postchristelijk tijdperk, waarin, zeker in de westerse landen, steeds meer mensen afstand nemen van het geloof in God. Misschien moeten we hierbij wel betrekken wat Jezus zegt in LUCAS 18:8:

“Doch als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde”?

Voor Israël geldt volgens ROMEINEN 11:9: “Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk”. Dat betekent, dat God trouw blijft aan Zijn beloften. Het is belangrijk om ons te realiseren dat Israël voor God niet definitief heeft afgedaan. Wij weten immers dat er diverse profeten over het herstel van Israël hebben gesproken: Lees b.v. EZECHIËL 37:9-14, ZACHARIA 13:8-9 EN 12:10-14.

In OPENBARINGEN 7:4-8 lezen we over de knechten van onze God uit Israël die aan hun voorhoofden moesten worden verzegeld voordat de vier engelen schade zouden toebrengen aan de aarde. Honderdvierenveertigduizend waren verzegeld uit alle stammen van Israël. Een teken, dat Israël, met name het gelovige Israël niet afgedaan heeft. Misschien is daarvan wel het beste bewijs, dat de poorten van het Nieuwe Jeruzalem de namen zullen dragen van de twaalf stammen van de kinderen Israëls. En de fundamenten van de muren worden gesierd met de namen van de twaalf apostelen,

die ook allemaal tot Israël behoren. Lees maar eens OPENBARINGEN 21:12-14:

“En zij had een grote en hoge muur en zij had twaalf poorten en op de poorten twaalf engelen, en namen op (de poorten) geschreven, welke zijn die van de twaalf stammen der kinderen Israëls. Naar het oosten waren drie poorten en naar het noorden drie poorten en naar het zuiden drie poorten en naar het westen drie poorten. En de muur der stad had twaalf fundamenten en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen des Lams”.

Misschien maakt deze openbaring ons alles over Israël en de gemeente wel heel mooi duidelijk: Het christelijk geloof is gebaseerd op de apostelen en de profeten met zijn wortel in Abraham. Israël, maar dan het gedeelte, dat in Christus gelooft staat op dat fundament. Zij zijn het dus die deel zullen zijn van het Nieuwe Jeruzalem dat neer zal dalen uit de hemel. Voor God is er dan geen Israël meer zonder dat fundament van de Apostelen en Profeten. Ieder die het Nieuwe Jeruzalem binnengaat komt door een poort waar de naam van een stam van Israël op staat.                                                                                                                   

Het ongeloof van Israël is tijdelijk en eenmaal zal Israël volledig in ere worden hersteld, zo zelfs, dat wij alleen door de poorten van Israël het Nieuwe Jeruzalem kunnen betreden.

Tenslotte:

Dit hoofdstuk besluit met een loflied van Paulus op de grote rijkdom van wijsheid en van de kennis van God die ver boven ons verstand uitgaat. En op een wonderlijke wijze Zijn plan met Israël én met ons tot uitvoering brengt.

“Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen. O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen” ROMEINEN 11:32-36.

Vragen:

  • Heb je wel eens het gevoel dat je er net als Elia alleen voor staat. Dat het net is of alle mensen om je heen zonder God leven en dat je omgeving je beschouwt als een fundamentalistisch fossiel uit vervlogen dagen? Wat is dan je reactie? Zie 1 CORINTHIËRS 1:18; JACOBUS 5:11; 2 TIMÓTHEÜS 2:12.
  • Paulus hoopt dat hij enkelen van zijn volk zal kunnen behouden door ze tot jaloersheid te verwekken. Leeft dat verlangen ook in ons om onze volksgenoten jaloers te maken door onze christelijke levenshouding? Op welke manieren kunnen we daar vorm aan geven?
  • Zijn de christenen er tot nu toe in geslaagd om Israël jaloers op hen te maken? Wat is daar op dit moment voor nodig?
  • Wanneer je denkt aan God als een rechtvaardig God. Wat is daarvan dan het beeld dat je voor ogen hebt? Zie DEUTERONOMIUM 4:24; PSALM 69:5; ROMEINEN 8:15.
  • Wat zou in deze tijd een reden kunnen zijn dat takken worden weggekapt? Zie ROMEINEN 11:19–22.
  • Israël kwam door zijn overtredingen ten val. God gebruikt dit om de heidenen de mogelijkheid tot behoud te geven. Heb je wel eens meegemaakt dat God een foute gang van zaken in jou leven heeft gebruikt om een positieve ontwikkeling in gang te zetten?

F. van der Werf.