In hoofdstuk 8 van de Romeinenbrief geeft Paulus hoop op betere tijden. Een boodschap die de mensen van vandaag ook zeker zal aanspreken. Paulus wijst de christenen in Rome er op dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die ons te wachten staat.

Het nieuws in de media wordt voor een belangrijk deel gevormd door allerlei zaken die er toe bijdragen dat het leven op aarde vrijwel onmogelijk dreigt te worden. De CO2 uitstoot, het broeikaseffect, de stijging van de waterspiegel; het tekort aan goed drinkwater met rampzalige gevolgen voor de mensheid houdt de hele wereld bezig. Dan hebben wij het nog niet over de uitputting van de natuurlijke hulpbronnen, vernietigende oorlogen, toename van aardbevingen en andere natuurrampen. De aarde zucht en steunt in afwachting van haar ondergang.

De wereld is door God onderworpen aan de vergankelijkheid door de zondeval van de mens. Ook met de mensheid gaat het niet goed. Wat is er een onrecht, armoede, ziekte en ellende in de wereld. Wat zijn er veel mensen die moeten lijden. Maar er is hoop voor allen die in Jezus geloven. Zij verwachten een nieuwe schepping maar ook het moment dat zij verlost worden van hun vergankelijke lichaam en zichtbaar worden als zonen (en dochters) van God.

Paulus wijst de christenen in Rome er op dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die ons te wachten staat. De hoop op die heerlijke toekomst moeten wij vasthouden. Maar ons denken en willen is maar beperkt. Gelukkig wil de Heilige Geest ons in onze zwakheid te hulp komen als wij niet weten wat we moeten bidden. Het hangt niet alleen van ons af.

Paulus besluit met een bemoediging die er op neer komt dat de mensen die God liefhebben gerechtvaardigd zijn en op Gods tijd verheerlijkt zullen worden; gelijkvormig aan het beeld van Zijn Zoon.

Lezen: ROMEINEN 8:18-30.

“Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om de wil van Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods.

Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. En niet alleen zij, maar ook wij zelf, wij, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam. Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding.

En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit. Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn.

Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt”.

De hoop van Gods kinderen

Dit gedeelte sluit aan op VERS 17 en we moeten het ook in dat verband lezen:

“Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking”.

Omdat wij deel hebben aan het lijden van Christus delen wij ook in zijn verheerlijking. Wat houdt dat lijden in: Verdrukking, vervolging om Christus wil, maar ook dat wij lijden onder de begeerten van onze vleselijke mens, waar Paulus zo vreselijk graag van verlost wil worden. (Wie kan mij verlossen uit het lichaam dezes doods.)

In die geest kunnen we ook VERS 18 lezen. Het is lichamelijk en geestelijk lijden. Ik vind dit vers een geweldige bemoediging voor mensen die moeten lijden, door armoede, ziekte, honger, oorlog of vervolging, etc. Het is goed om ons niet alleen te richten op de ellende die ons overkomt, maar we mogen dat plaatsen in een ruimer perspectief.

Onze pijn weegt niet op tegen het uitzicht op de luister die ons in de toekomst geopenbaard zal worden.

In de VERZEN 19-23 betrekt Paulus de hele schepping in de hoop op de verlossing uit de gebondenheid en de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid (VERS 21). Door de zondeval is de hele schepping onderworpen aan het proces van verval en ondergang. Het is God zelf die dat heeft gedaan. Geen mens kan dit keren. De schepping verkeert als het ware in de slavernij van de vergankelijkheid. Maar Paulus geeft uitzicht op een totale bevrijding. Er is hoop voor de schepping. Aan haar vergankelijkheid en vruchteloosheid komt een einde.

Voordat die hoop bewaarheid wordt moeten de Zonen van God openbaar worden. Wanneer zal dat zijn? Ik denk, dat ons heiligingproces als Zonen / kinderen van God door de Geest van het Zoonschap pas volmaakt is wanneer wij in een verheerlijkt lichaam voor God verschijnen, verlost van ons sterfelijk bestaan. Zie VERS 23. Dat zal gebeuren nadat wij ons vleselijke lichaam met zijn zondige natuur hebben afgelegd en ons opstandingslichaam hebben mogen aannemen. Wanneer Jezus Christus als overwinnaar de goddeloosheid totaal en definitief heeft uitgeschakeld. Die totale verandering zal plaatsvinden wanneer Jezus terugkomt. We kunnen dat lezen in 1 THESSALONICENZEN 4:13-18.

In VERS 22 lezen wij, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. Barensnood heeft te maken met de pijn die voorafgaat aan de komst van een nieuw leven. Dan denk je aan een zwangere vrouw die op het punt staat te bevallen. De schepping ziet met reikhalzend verlangen uit naar de verlossing die onvergankelijkheid baart; leven dat niet meer ophoudt; eeuwig leven.

Door die verlossing zal de hele schepping delen in de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. Ik geloof, dat we hier ook mogen denken aan de nieuwe hemel en de nieuwe aarde die zullen komen na het vergaan van de eerste hemel en aarde. De schepping die door de zonde vergankelijk is geworden zal eenmaal worden verlost en vervangen door een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Lees daarvan in OPENBARING 21:1-8.

Het is niet alleen de schepping die zucht en in barensnood is, maar ook de kinderen van God. Zij hebben als eerste gave, als een soort voorschot, de Heilige Geest ontvangen. Zie VERS 23. Hun innerlijk leven waarin de Heilige Geest woont zit echter gevangen in het aardse bestaan. Hun geestelijk leven moet daaruit als het ware verlost worden, zoals een baby uit de moederschoot. Het is in verwachting van het ogenblik dat het zoonschap van God werkelijkheid wordt. Door de hoop op de verlossing van ons sterfelijke bestaan zijn wij behouden.

Die hoop hebben wij op grond van ons geloof, dat God doet wat Hij belooft.

Wanneer wij hopen hoewel het nog niet zichtbaar is zullen wij in afwachting van die grote gebeurtenis blijven volharden; wij zullen geduldig blijven wachten, hoe moeilijk het ook voor ons kan worden. Dat kunnen we niet alleen en dat hoeft gelukkig ook niet want wij hebben een machtige metgezel: de Heilige Geest die in ons woont. Die Geest helpt ons in onze zwakheid. Volgens de VERZEN 26-27 geldt dat vooral ook voor onze gebeden.

Wat moeten wij bidden?

Paulus zegt, dat wij in ons gebed niet weten wat we tegen God moeten zeggen. Het is niet zo dat hij nu overspringt naar het onderwerp, ‘bidden’ in-het-algemeen. We moeten dit bidden denk ik zien in een directe relatie met de verwachting van de verlossing uit ons aardse bestaan.

Het gaat om het verlangen om het evenbeeld te worden van Zijn Zoon, VERS 29. Om daaraan te voldoen is het nodig dat de Heilige Geest ons helpt om de werkingen des lichaams te doden, VERS 13. Ons gebed moet gericht zijn op het doden van onze zondige wil.

Wanneer wij niet weten wat we moeten bidden dan is daar de Geest zelf die voor ons pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen.

Of Paulus met deze onuitsprekelijke verzuchtingen doelt op de ongearticuleerde klanken van het spreken in tongen waarover wij ook lezen in de Korinthenbrief of dat het gaat om een woordeloos zuchten waarmee de Geest onze gelovige gebeden vergezelt, is niet helemaal duidelijk. Maar dat de Heilige Geest allen die God toebehoren zo intens bijstaat in de zwakheid van hun gebeden, dat is een geweldige wetenschap.

Uit VERS 27 blijkt dat de verzuchtingen van de Geest door God worden gehoord. God doorgrondt wat er in onze harten leeft wanneer wij bidden. Hij weet wat de Geest wil zeggen. Hij weet dat de Geest de bedoeling heeft om in overeenstemming met Zijn wil te pleiten voor alle mensen die Hem toebehoren. De Heilige Geest is immers de Geest van God.

Het bidden is in dit verband dus niet bedoeld voor de vervulling van aardse verlangens en persoonlijke behoeften, maar gericht op wat, ‘heiligen’ feitelijk nodig hebben en dat is, ‘heiligheid’. Als wij verlangen om te leven zoals Christus het bedoeld heeft dan wil God die gebeden ook zeker verhoren.

Ik denk dat wij VERS 28 ook in dit verband kunnen uitleggen. Voor wie God liefhebben doet God alle dingen bijdragen aan het goede. Wat wordt met ‘alle dingen’ bedoeld? Wanneer je dit vers uit zijn verband haalt, dan zou je kunnen denken dat zelfs de zonden daarbij inbegrepen zijn. Natuurlijk kan dat niet de bedoeling zijn van Paulus. Wij moeten hier mijns inziens veel eerder denken aan ernstige beproevingen van ons geloof, aan lijden en verdrukking die verband houden met het leven naar de wil van God. Zie VERS 35. Daarnaast wellicht ook de strijd die wij moeten voeren tegen de begeerten van onze natuurlijke mens.

Voorbestemd, geroepen en gerechtvaardigd

In de VERZEN 28-30 geeft Paulus een afronding van het gedeelte over de hoop die de kinderen van God hebben. Gaat hij in deze verzen alsnog een beperking geven van deze hoop door te betogen dat het toch maar de vraag is of je geroepen bent op grond van het verkiezend voornemen van God? Neen, dat staat nergens. Veeleer is het een bevestiging dat allen die God liefhebben (….) volgens Gods voornemen geroepen zijn.

God had al voordat de wereld gegrondvest werd behalve de Jood ook de heiden vol liefde uitgekozen om voor Hem heilig en zuiver te zijn. Lees EFEZIËRS 1:4-5. Of God daarbij in Zijn almacht ook mensen niet geroepen heeft valt onder Zijn ondoorgrondelijke wijsheid en Goddelijke beschikkingsrecht.

Wanneer een mens echter tot geloof gekomen is en God liefheeft, dan mag hij weten dat hij door Gods genade behoort tot hen die God heeft uitgekozen en bestemd heeft tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon. Dan mag hij weten geroepen te zijn. Dat blijkt naar mijn mening ook uit de volgende perikoop die gaat over de zekerheid van het geloof.

God heeft Zijn Zoon niet voor deze en gene maar voor ons allen overgegeven, VERS 31.

Wanneer iemand ons roept moeten wij wel komen en antwoorden. Zo is het ook wanneer wij door God geroepen zijn. Wanneer wij geroepen zijn maar geen gehoor geven aan die roepstem dan gaat Gods genadegeschenk aan ons voorbij. Daarover is de Bijbel voldoende duidelijk. Een christen mag weten uitverkoren te zijn en wie aan Gods roeping gevolg geeft wordt gerechtvaardigd en mag nu al delen in Zijn luister.

Lezen: ROMEINEN 8:31-39.

“Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.

Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood,wij zijn gerekend als slachtschapen. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.

Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here”.

De zekerheid van het geloof

Eigenlijk is dit gedeelte een conclusie van het voorgaande in de vorm van een loflied. Ik vind het één van de mooiste gedeelten uit de bijbel. Omdat wij door de Geest van het Zoonschap verbonden zijn met God en Jezus Christus kan niets ons scheiden van de liefde van God die in Christus Jezus in ons is uitgestort.

Het verlangen om een geheiligd leven te leiden en steeds meer te gaan lijken op het beeld van Gods Zoon kan een zware strijd betekenen, met heel veel bedreigingen. We moeten ons daardoor echter niet laten afschrikken omdat wij zeker mogen zijn dat de Heilige Geest die in ons woont ons te hulp komt. Zo kunnen we met Paulus uitjubelen:

“Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad”.

Vragen:

  • Vind je VERS 18 niet een geweldige bemoediging voor mensen die moeten lijden, door armoede, ziekte, honger, oorlog of vervolging etc. Heb je dit vers wel eens op je eigen situatie toegepast? (Voorbeeld?)
  • VERS 19 Waarom verlangt de schepping naar het openbaar worden van de zonen Gods? Zie VERS 20-21.
  • In VERS 22 lezen wij, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. Wat houdt dat in? Merken we daar iets van in deze tijd?
  • Ken je situaties waarin het moeilijk voor je is om te bidden of dat je niet weet wat je tegen God moet zeggen? Vind je dan troost in VERS 26?
  • In VERS 28 staat dat God alle dingen doet meewerken ten goede voor hen die God lief hebben. Hoe moet je dat woordje “alles” uitleggen? Heb je in je eigen leven ook ervaren dat God alle dingen doet meewerken ten goede? Kun je daar voorbeelden van geven?

F. van der Werf.