In de negen voorgaande lessen hebben wij het gehad over de rechtvaardiging. Niemand kan uit zichzelf aanspraak maken op die rechtvaardiging. Niet door besnijdenis. Niet door het feit dat je in een christelijk of joods gezin geboren bent. Niet door het houden van de wet. Het is louter en alleen Gods genade. Je zou kunnen zeggen: Het is Gods werk voor ons.

In de hoofdstukken 6 t/m 8 gaat het om het vervolg daarop: Gods werk in ons. Het werk van Jezus Christus ligt achter ons en is volledig voltooid. Het werk van God door de Heilige Geest moet nu verder tot ontwikkeling komen in ons leven. Het aanvaarden van de dood van Christus voor ons betekent dat we christen worden. Vervolgens moeten we ontdekken wat dat nieuwe leven inhoudt en openstaan voor de doorwerking daarvan, zodat de gerechtigheid van God in ons leven gestalte krijgt. We noemen dat ook wel “heiliging”.

Lezen: ROMEINEN 6:1-14

“Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven? Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen.

Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn met hetgeen gelijk is aan zijn opstanding; dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.

Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem. Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven; wat zijn leven betreft, leeft Hij voor God. Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wel dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus.

Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen, en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God. Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade”.

Sterven en opstaan met Christus

ROMEINEN 6:1-2. Je zou uit het voorgaande hoofdstuk kunnen opmaken, dat je door te blijven in de zonde de genade alleen maar groter kunt laten worden. Ook in Rome waren naar het schijnt mensen die er van uit gingen dat, hoe meer je zondigde, hoe meer genade je ontving.

Dat ging totaal voorbij aan de noodzaak van een radicale bekering. Het breken met de zonde. Paulus wijst die conclusie dan ook met klem van de hand. Hoe kan een (gedoopt) christen die aan de zonde gestorven is nog in de zonde blijven leven.

Hij verduidelijkt dat door een uitleg over de betekenis van de doop. (Dopen betekent letterlijk: onderdompelen.) Wij weten dat allen die in Christus geloven gedoopt behoren te worden. Paulus vertelt ons dat de doop symboliseert, dat allen die in Christus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn, VERS 3. Wat bedoelt hij daarmee? Wie met Christus gestorven zijn worden “met Hem begraven door de doop in de dood”, VERS 4. Dat wordt gesymboliseerd door de onderdompeling in het watergraf. Het sterven, het afleggen van het oude leven is nodig om ook met Christus opgewekt te kunnen worden om een nieuw leven te kunnen beginnen.

Paulus zegt: Zoals wij samengegroeid zijn met Christus’ dood zo is het ook met Zijn opstanding, VERS 5. Zoals Christus uit de doden is opgewekt, zo staat ook de christen op uit het watergraf om een nieuw leven met Hem te beginnen. Vereenzelvigd worden met de dood van Christus is een door het oordeel heengaan om vrij te worden van het oude leven. Ons oude lichaam dat leefde onder de slavernij van de zonde en de gebondenheid aan de wet is met Christus gekruisigd en gedood. Zie ROMEINEN 6:6. Door de dood heeft de zonde geen macht meer over ons.

Door één te worden met de dood van Christus heeft God het vonnis voltrokken over onze oude natuur. Daarom heeft die rechtens geen zeggenschap meer over ons. Wij hebben officieel geen verplichtingen meer aan onze oude mens. Onze heiliging is er mee gediend om dat dan ook niet meer te doen. Integendeel, onze levenswandel moet er op gericht zijn God te behagen. Daarover lezen wij in 1 THESSALONICENZEN 4:1-9 NBV.

“Broeders en zusters, in naam van de Heer Jezus vragen we u met klem te leven zoals wij het u hebben geleerd, dus zo dat het God behaagt. U doet dat al, maar wij sporen u aan het nog veel meer te doen. U kent de voorschriften die wij u op gezag van de Heer Jezus hebben gegeven. Het is de wil van God dat u een heilig leven leidt: dat u zich onthoudt van ontucht, dat ieder van u zijn lichaam heiligt en in eerbaarheid weet te beheersen en dat u niet zoals de ongelovigen, die God niet kennen, toegeeft aan uw hartstocht en begeerte.

Schaad of bedrieg uw broeder of zuster in dit opzicht niet, want de Heer vergeldt dit alles, zoals wij u vroeger al nadrukkelijk hebben voorgehouden. God heeft ons niet geroepen tot zedeloosheid, maar tot een heilig leven. Dus wie deze voorschriften verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u zijn heilige Geest geeft. Over de onderlinge liefde hoeven wij u niets te schrijven, want u hebt zelf van God geleerd hoe u in liefde met elkaar moet omgaan”.

Leven vanuit het opstandingsleven

Wie in Christus gedoopt zijn, kunnen niet meer in de zonde leven. Ze kunnen alleen maar vechten tegen de zonde en zich verlustigen in de dienst van God. Paulus zegt eigenlijk: Wanneer je gedoopt bent en gestorven bent aan je zonde is er een radicale verandering in je leven gekomen. Je bent overgegaan van de dood in het leven. Dat heeft grote gevolgen voor je manier van leven. Je wilt niet meer leven zoals je vroeger geleefd hebt. Vgl. ROMEINEN 6:10.

In GALATEN 3:27 staat:

“Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed”.

De mensen zullen - als het goed is - Christus in ons zien en wij zullen in al ons doen en laten steeds meer op Hem gaan lijken.

Het gaat bij een christen niet puur om een verandering van het gedrag, maar om een nieuw levensbeginsel. Het gaat niet om een verandering van zijn levenshouding zonder meer, maar om een leven vanuit het opstandingsleven. De basis van zijn gedrag wordt dan bepaald door de levensbron Jezus Christus en niet door hemzelf.

In deze perikoop zien we dus twee lijnen lopen:

  • Het oude leven - het nieuwe leven.
  • Bepaald door de wet - bepaald door de genade.
  • Met de slavernij aan de zonde - het dienen van God in de vrijheid van Jezus.
  • Heerschappij van de letter van de wet - naar de geest van de wet. (zie de Bergrede)

Paulus zegt: Hoe zullen wij die dood zijn voor de zonde daarin nog leven. Blijkbaar maakt de rechtvaardiging van God op zich ons nog niet tot andere mensen. Daar is meer voor nodig. Blijkbaar kan een christen nog steeds zondigen en kan hij nog steeds leven zoals hij vroeger leefde. Om die reden moeten we ons bewust worden van de betekenis van de dood van Christus. Paulus herinnert de gemeente in Rome daarom aan de betekenis van hun doop.

ROMEINEN 6:10-11. Er zijn tegenwoordig theologen die beweren, dat Jezus misschien wel is gestorven voor de zonden van zijn tijdgenoten, maar dat die verzoening niet meer voor ons geldt. Hier staat heel duidelijk, dat hij eens voor altijd voor de zonde is gestorven. (zoals Adam’s zonde voor alle mensen in alle tijden leidde tot de dood).

Wat zijn leven betreft leeft Hij voor God. De zonde en de duivel hebben alle recht op Jezus verloren en alleen God heeft recht op het verheerlijkte leven van Jezus Christus. Omdat wij gedoopt zijn in Christus hebben wij deel aan dat sterven van Christus aan de zonde, maar ook aan Zijn verheerlijkte leven, het opstandingsleven.

Hoe kunnen we die eenheid met Christus beleven?

ROMEINEN 6:11-14. Wanneer we zeker weten, dat de zonde niet meer over ons heerst, dan moeten we ook heel anders gaan denken. Niet meer van: Mag dat wel of mag dat niet? Maar veel meer: Hoe kan ik leven vanuit het opstandingsleven. Hoe kan ik leven uit het beginsel: God liefhebben boven alles en mijn naaste als mijzelf? En ook: Hoe kan de Geest van God Zijn werk in en door mij vorm geven?

Het gaat er voor een christen niet om de grenzen af te tasten van wat men zich als christen nog net kan permitteren om een christen te blijven, zoals iemand die langs het randje van de afgrond loopt en er net niet in valt, maar om te leven vanuit het verlangen om dicht bij het hart van de Vader te blijven en vanuit Zijn wil te leven.

Lees ROMEINEN 6:15-23.

“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet, maar onder de genade zijn? Volstrekt niet! Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?

Maar Gode zij dank: gij waart slaven der zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is; en, vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de gerechtigheid. Ik zeg dit van menselijk standpunt om de zwakheid van uw vlees. Want gelijk gij uw leden gesteld hebt ten dienste van de onreinheid en van de wetteloosheid tot wetteloosheid, zo stelt nu uw leden ten dienste van de gerechtigheid tot heiliging.

Want toen gij slaven waart der zonde, waart gij vrij van de gerechtigheid. Wat voor vrucht hadt gij toen? Dingen, waarover gij u nu schaamt; immers, het einde daarvan is de dood. Maar thans, vrijgemaakt van de zonde en in de dienst van God gekomen, hebt gij tot vrucht uw heiliging en als einde het eeuwige leven. Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here”.

Vrijgemaakt van de slavernij van de zonde om je leven te richten op de gerechtigheid.

Het gaat in dit gedeelte over twee mogelijkheden.

Aan het begin hebben we al de tegenstelling genoemd tussen de slavernij aan de zonde en aan de andere kant het dienen van God. Paulus is blij te kunnen zeggen, dat de mensen in Rome vrijgemaakt zijn van de zonde. Ze waren voorheen in dienst van de ongerechtigheid, maar zijn nu in dienst gekomen van de gerechtigheid.

Dat “in dienst van”, is eigenlijk een tegenstelling met de vrijheid van de slavernij waarover Paulus het eerder had. Hij weet dat het voorbeeld mank gaat, maar hij wil hen denk ik heel duidelijk maken, dat het opstandingsleven precies het tegenovergestelde is van het oude wettische leven, dat voor de joodse christenen in Rome nog wel wat meespeelde. Ik denk dat de meesten van ons ook nog veel tekenen van dat oude wettische leven vertonen. Ik herinner mij uit mijn jeugd, dat de mate van rechtzinnigheid of vrijzinnigheid werd afgemeten aan wat je op zondag wel of niet mocht doen.

Door de wet en de voorschriften die Jezus ons heeft gegeven hebben wij goede richtlijnen voor ons leven ontvangen en weten wij wat zondig is. Het gehoorzamen van die regels moet echter niet een doel op zichzelf zijn, maar slechts een middel om vanuit de liefde tot God Hem te behagen. In een huwelijk kun je strikt aan je huwelijkse plichten voldoen, maar het voldoet niet aan zijn bestemming wanneer de echtgenoten niet uit liefde voor elkaar proberen de ander gelukkig te maken. Dit kun je doortrekken naar de relatie van de gemeente met Christus, de bruidegom.

In VERS 19 laat Paulus de tegenstelling tussen het oude wettische leven en het leven vanuit de nieuwe gerichtheid nog eens heel duidelijk uitkomen. Hij roept hen op om zich te richten op de “gerechtigheid tot heiliging”. De keuze van het nieuwe levensbeginsel; het leven vanuit het opstandingsleven zal het hele leven heiligen. D.w.z. dat je helemaal voor Gods wil openstaat en Hem toegewijd bent.

In VERS 22-23 wijst Paulus op de zegen van dat nieuwe leven. Het loon van de zonde is de dood, maar wanneer wij door Christus vrijgemaakt zijn, ontvangen wij van God het eeuwige leven in Christus.

Lees ROMEINEN 7:1-6.

“Of weet gij niet, broeders, (ik spreek immers tot wie de wet kennen) dat de wet heerschappij voert over de mens, zolang hij leeft? Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft; wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen van de wet, die haar aan die man bond. Zo zal zij dan, indien zij bij het leven van haar man een ander tot man neemt, echtbreekster heten; wanneer echter de man sterft, is zij vrij van de wet, zodat zij geen echtbreekster is, indien zij zich aan een andere man geeft. Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen.

Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen; maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter”.

Illustratie van de vrijheid

Paulus zegt: Een vrouw is gebonden aan de huwelijkswet zolang de man leeft. Als hij dood is blijft de wet niet meer van kracht en is de vrouw vrij van de wet die haar aan die man bond.

Omdat het lichaam van Christus gedood werd voor de zonde zijn ook de joden te Rome (en wij) vrij van de slavernij van de zonde en de gebondenheid aan de wet; “dood voor haar die ons gevangen hield” (de wet) en vrij om een ander (Christus) toe te behoren. We dienen niet meer naar de letter, maar naar de Geest. Dat is belangrijk want: De letter doodt, maar de Geest maakt levend. Vgl. 2 CORINTHIËRS 3:5-6.

Vragen:

  • Zie je verschil tussen een misdadiger die bij een rechter beterschap belooft en de nieuwe levenswandel van iemand die met Christus is begraven en opgestaan?
  • Wat is er in jou leven veranderd sinds je gedoopt bent?
  • Is het nieuwe leven met Christus voor ons sterk genoeg, dat wij wel zonder het stellen van christelijke grenzen kunnen. Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo neen, waarom zijn ze dan nog nodig? Lees EFEZIËRS 4:25-32, de nieuwe levenswandel.
  • In ROMEINEN 6:22 wordt levensheiliging als een vrucht gezien. Waarvan? In hoeverre merk je die vrucht in je eigen leven?   
  • Wat is de bedoeling van de opmerkingen van Paulus over huwelijk en echtbreuk in ROMEINEN 7:2-3? Is het zijn bedoeling om de mensen in Rome hiermee te vermanen of heeft hij een ander oogmerk? Zie VERS 4.
  • Wat is voor jou het verschil tussen het leven naar de letter der Wet en het God dienen naar de Geest. Betekent het dat b.v. de Tien Geboden niet meer serieus behoeven te worden genomen?

F. van der Werf.