Betekenis: kastijden, straffen, tuchtigen, geselen, met de zweep slaan

Het gebruik van een gesel of zweep was in sommige landen nog een gebruikelijke vorm, om iemand tot een bekentenis te dwingen. Vgl. MATTHÉÜS 10:17; JOHANNES19:1; HANDELINGEN 22:25. Men kan het woord mastigoõ ook in meer algemene overdrachtelijke zin aangeven, zoals we in HEBREEËN 12:6 zien, de Heer tuchtigt (paideuei) Hij geselt (mastigoi), iedere zoon die Hij aanneemt. God de Vader behandelt Zijn kinderen zo om hen van de zonde af te keren om hen op te voeden en terecht te wijzen.

Een Bijbelvers dat in het verlengde ligt van HEBREEËN 12:6 is EFEZIËRS 6:4 “en gij vaders… maar voedt hen op”.  Zoals God met Zijn kinderen omgaat, dat mag ons uitdagen tot navolging. Dit wil zeggen, dat de ouders of opvoeders zich bij het opvoeden door de Heer laten inspireren! In de opvoeding spelen twee woorden een belangrijke rol ‘tuchtiging’ (paideia) en ‘terechtwijzing’ (nouthesia). De tucht dient om af te leren en na te laten, maar het houdt ook allerlei andere vormen van discipline in, en het gaat hier niet allen om slaag. Dit vers maakt duidelijk dat de vaders hun kinderen niet uit drift mogen slaan, want dan is er geen sprake van een zich laten leiden door de Heer.

“met alle waardigheid hun kinderen onder de tucht houden” 1 TIMÓTHEÜS 3:4.

Bij terechtwijzing gaat het om ‘gesproken vermaning’ het is een onderwijzing met woorden, niet heftig maar in alle rust en liefde de ander toespreken. Zie ook 1 CORINTHIËRS 4:14; KOLOSSENZEN 3:16.