Betekenis: tuchteloos, ongehoorzaam aan gezag, wanordelijk, weerspannig, rebels, weerbarstig, hardnekkig, zich niet willen onderwerpen.

In verband met tucht komen we dit woord drie keer tegen in het Nieuwe Testament.

“Wel wetend, dat de wet niet gesteld is voor de rechtvaardige, maar voor wettelozen en tuchtelozen, voor goddelozen en zondaars, voor onverlaten en onheiligen, voor vadermoorders en moedermoorders en doodslachters” 1 TIMÓTHEÜS 1:9.

In dit vers noemt Paulus een lijst met zonden van mensen die handelen tegen Gods wet. Met het woord anupotaktoi wordt duidelijk gemaakt dat het hier gaat om mensen die zich niet willen onderwerpen aan wetten of gezag. Het zijn mensen die zichzelf laten gaan en zich nergens aan storen. God wil hen door de wet tot de orde roepen. Vgl. MARCUS 10:5.

“Die onberispelijk zijn, één vrouw hebben, die gelovige kinderen hebben, die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of van geen tucht willen weten” TITUS 1:6.

Hier gaat het om de ‘oudsten’ die een gezonde gezags-relatie met hun kinderen behoren te hebben - zie ook bij het woord hupotage - anders zou dit een aantasting kunnen zijn van hun goede naam in de gemeente. Als er sprake is van ‘losbandige kinderen’ hoeft dit niet altijd de schuld van de ouders of opvoeders te zijn. Een oudste met losbandige kinderen, kan of zal zeker belemmerd worden bij het uitoefenen van zijn ambt, maar hij mag er niet op aangevallen worden zeker niet als in de gemeente bekend is dat de vader er voldoende zorg aan heeft besteed.

“Want velen willen van geen tucht weten: het zijn ijdele praters en misleiders, vooral die uit de besnijdenis zijn” TITUS 1:10.

Letterlijk staat er; ‘want velen zijn niet onderworpen’, aan het gezag van Gods woord. In een huisgezin, maar ook in de gemeente zijn er mensen die zich niet willen onderwerpen, d.w.z. opstandig zijn. Dit vers staat in verband met het ‘opzieners ambt’. Titus moet dus goed uitkijken dat hij niet ‘zomaar’ iemand aanstelt. Aan de ene kant moet hij de juiste mensen zoeken voor het ambt van oudste. En aan de andere kant hebben ‘de oudsten’ een grote verantwoordelijkheid om het ‘niet onderworpen willen zijn’ te voorkomen, zodat er binnen de gemeente een gezonde gezagsstructuur - gezond makende tucht - kan plaatsvinden.