De vorige keer hebben we gesproken over de Joden die dachten vanuit hun voorkeurspositie gerechtvaardigd te kunnen worden. De eigengerechtigheid van de mens die denkt een streepje voor te hebben. Het Jood-zijn en het bezit van de wet op zich kan hen niet redden van het oordeel.

In deze bijbelstudie gaat het om de godsdienstige mens, in dit geval de Jood, die denkt op grond van zijn godsdienstigheid aanspraak te kunnen laten gelden op de gerechtigheid. Als we even kijken naar de opschriften boven de perikopen dan wil Paulus betogen: De Joden hadden de wet van Mozes waar zij zich op beroemden, maar het zou hen niet baten.

Zij waren besneden, maar de besnijdenis op zich zou hen niet baten. De Joden hadden voorrechten, maar die spraken hen niet vanzelfsprekend vrij van het oordeel. We zien deze redenering ten slotte uitmonden in de gerechtigheid die alleen door het geloof in Jezus Christus mogelijk is.

Bij de Joden bestond een gegronde trots. Het woord Jood stond voor de religieuze Jood. Het woord ‘Jood’, komt van Juda. Ze noemden zich b.v. Jacob de Jood, omdat ze het een eer vonden om een Jood te zijn. Ze beroemden zich terecht op hun bijzondere relatie met God die mede vorm kreeg door het houden van Gods geboden.

Daarover lees je in DEUTERONOMIUM 6:6-11.

“Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat. Gij zult het ook tot een teken op uw hand binden en het zal u een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn, en gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en aan uw poorten. Wanneer nu de Here, uw God, u in het land zal gebracht hebben, waarvan Hij uw vaderen, Abraham, Isaak en Jakob, gezworen heeft het u te zullen geven (grote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt; huizen, vol met allerlei goederen, waarmee gij ze niet gevuld hebt; uitgehouwen bakken, die gij niet uitgehouwen hebt; wijngaarden en olijfbomen, die gij niet geplant hebt) en gij gegeten hebt en verzadigd zijt, neem u er dan voor in acht, dat gij de Here niet vergeet, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heeft”.

God wilde, dat dit volk aan de wereld zou tonen wie God is met het ‘woord en met de daad’.

Hun uitverkiezing was een groot voorrecht, maar ook een grote verantwoordelijkheid.

Lees ROMEINEN 2:17-21.

“Indien gij u dan Jood laat noemen, steunt op de wet, u beroemt op God, zijn wil kent, weet te onderscheiden waarop het aankomt, daar gij onderricht in de wet geniet, en u overtuigd houdt, dat gij een leidsman van blinden zijt, een licht voor hen, die in duisternis zijn, een opvoeder van onverstandigen en een leermeester van onmondigen, daar gij in de wet de belichaming der kennis en der waarheid bezit, hoe nu, gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet?” 

  • De Joden kenden als enige volk de wil van God omdat Hij hun zijn wet gegeven had.
  • Ze hadden de taak om de blinde heidenen te leiden (voelden zich boven hen verheven.)
  • Ze mochten functioneren als een licht in de duisternis.
  • Ze waren opvoeders van de mensen die de wet niet kenden. (De schare die de wet niet kent).
  • Ze waren leraars van de waarheid voor onwetenden.

Paulus tekent de Jood hier als een instrument in Gods hand om zijn Goddelijke waarheid te openbaren. Hierbij kunnen we denken aan LUCAS 12:48 ‘Wie veel is toevertrouwd, van hem zal veel worden gevraagd’. Die uitverkiezing door God is dus blijkbaar niet alleen een voorrecht, maar ook een opdracht.

We lezen daarover in PSALM 145:10-12.

“Al uw werken zullen U loven, Here, uw gunstgenoten zullen U prijzen; zij zullen van de heerlijkheid van uw koningschap spreken en van uw mogendheid gewagen, om de mensenkinderen zijn machtige daden te verkondigen en de luisterrijke heerlijkheid van zijn koningschap”.

Lees ROMEINEN 2:21-23.

“Gij, die predikt, dat men niet stelen mag, steelt gij? Die overspel verbiedt, doet gij overspel? Die gruwt van de afgoden, pleegt gij tempelroof? Die u op de wet beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de wet? Want de naam Gods wordt om u gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven staat”.

Hun leer stond los van de praktijk van hun eigen leven.

Ze wisten heel goed te vertellen en vonden het mooi om te onderwijzen en te preken uit de wet maar ze hielden zich er zelf niet aan. De leer had geen relatie met hun leven. Ze preekten: Je mag niet stelen, maar ze deden het zelf. Ze gruwden van de afgoden, maar niet van de kostbaarheden die men uit de afgodstempels roofde. Ze predikten de wet, maar namen het zelf niet zo nauw. Ze waren een beetje schizofreen in hun geloven en hun beleven.

Wat is daarvan het gevolg? VERS 24 zegt: “Dat de naam van God om u gelasterd wordt onder de heidenen gelijk geschreven staat.” Zie 2 SAMUËL 12:13-14. Natuurlijk geldt dat niet alleen voor de Joden toen maar ook voor de christenen van vandaag.

Joden en christenen worden beoordeeld op hun gedrag en hun daden door ongelovigen.

Wanneer mijn gedrag niet klopt met mijn geloof, dan wordt de naam van de christenen in het algemeen negatief bestempeld. Wij zijn ook beeldbepalend voor de groep.

Men let op ons meer dan op anderen. Zondags stellen we hoge eisen aan aanbidding, maar hoe gaat het op maandag in de kantine en het restaurant met het bidden voor onze lunch?

Zondags zingt men in sommige kerken op hele noten, maar Zaterdagsavonds swingt de jeugd in de disco op housemuziek, etc. Hoe is onze omgang met vrienden en collega’s. Is ons christen-zijn echt merkbaar? Dat kan alleen wanneer wij echt leven uit het geloof in Christus.

Lees ROMEINEN 2:25-29.

“Want besneden te zijn heeft wel betekenis, indien gij de wet volbrengt, maar indien gij een overtreder van de wet zijt, is uw besnijdenis tot onbesnedenheid geworden. Zal dan, indien de onbesnedene de eisen der wet in acht neemt, zijn onbesnedenheid niet voor besnijdenis gelden? Dan zal de van nature onbesnedene, doordat hij de wet volbrengt, u oordelen die, hoewel in het bezit van letter en besnijdenis, een overtreder van de wet zijt. Want niet hij is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dat is besnijdenis wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt, maar hij is een Jood, die het in het verborgen is, en de ware besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God”.

De besnijdenis baat de Joden niet.

Behalve op de wet van Mozes beriepen de Joden zich voor hun rechtvaardiging op hun besnijdenis, zoals ook velen zich nu beroepen op het feit, dat zij als kind gedoopt zijn. Wat hield die besnijdenis in? Zie GENESIS 17:1-14. Het is een geslachtelijk verbond, dat God voor eeuwig aangaat.

God geeft van Zijn kant allerlei beloften aan Abram.

Hij krijgt een talrijk nageslacht. Hij wordt de vader van een menigte volken. God zal het volk tot een God zijn. Hij geeft het land Kanaän tot een altoosdurende bezitting. God verbindt zijn trouw aan dit volk. Alles komt van God. Abram en zijn mannelijke nakomelingen moesten zich alleen laten besnijden als teken, dat zij deel hadden aan het verbond van God. De beloften van dit verbond zijn alleen gegeven aan de Joden en de besnijdenis is daarom ook uitsluitend bedoeld voor de Joden als verbondsvolk. Later maakte God Zijn wil aan Mozes bekend en kwam de wet erbij.

Wat een grote zegen om bij dat volk te mogen horen, waaraan God zijn trouw had verbonden. Volgens VERS 25 had de besnijdenis wel betekenis, maar alleen dan wanneer men er ook naar leefde. Je kunt je wel beroepen op een verbondsteken, maar als je de wil van God niet meer serieus neemt, dan geeft dat uiterlijke teken je geen rechtvaardiging. “Dan is uw besnedenheid tot onbesnedenheid geworden”, zegt Paulus. De joden voelden zich verplicht tot de besnijdenis als een uiterlijke belijdenis, zonder daarbij altijd echt toegewijd te zijn aan God. Hiermee kwam men niet verder dan een onbesneden heiden. Dit ligt op het zelfde vlak als het vervullen van allerlei kerkelijke verplichtingen (Zondags 2 keer naar de kerk etc.), los van een persoonlijke overgave aan de Heer.

Wie is een echte Jood?

Een echte jood is hij die het van binnen is (VERS 28-29). De ware besnijdenis is die van het hart. Voor God wordt niemand vrijgesproken op basis van wat hij uiterlijk zegt te zijn. Een mens kan heel godsdienstig zijn, maar als zijn hart niet aan God is toegewijd, dan is van toepassing wat er in MATTHÉÜS 7:21-23 staat.

“Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid”.

God ziet het hart aan. Het gaat om een leven naar de Geest, niet naar de letter.

Lees ROMEINEN 3:1-8.

“wat is dan het voorrecht van de jood, of wat is het nut van de besnijdenis? velerlei in elk opzicht. in de eerste plaats toch dit, dat hun de woorden gods zijn toevertrouwd. wat toch is het geval? als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw gods tenietdoen? volstrekt niet! maar het blijve: god waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: opdat gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen. maar indien onze onrechtvaardigheid gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen? is god, die zijn toorn doet voelen (ik spreek op menselijke wijze) soms onrechtvaardig? volstrekt niet! hoe zal god anders de wereld oordelen? maar, indien de waarachtigheid gods door mijn leugen des te overvloediger is gebleken tot zijn heerlijkheid, waarom word ik dan nog als zondaar geoordeeld? het is toch niet, zoals men van ons lastert en sommigen ons laten zeggen: laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkome? het oordeel over dezen is welverdiend”.

De Joodse voorrechten en Gods trouw.

Je zou uit het voorgaande misschien kunnen opmaken dat de wet en de besnijdenis geen betekenis hebben, maar zo is het niet zegt Paulus. De Joden hebben als volk een bevoorrechte positie. Zij hebben de Oudtestamentische geschriften. De boeken van Mozes, de wet en de profeten vormen een getuigenis van Gods weg met zijn volk. God heeft met zijn volk een verbond gesloten en van Zijn kant blijft Hij trouw aan dat verbond, ook al is een deel van dat volk ontrouw geworden. (zie VERS 3)

Is dat niet een geweldige bemoediging dat God ondanks alles trouw blijft?

Maar hoewel we dit weten, moeten we ons wel realiseren, dat wij ons op dit voorrecht niet mogen beroepen. Onze trouw kan alleen maar een reactie zijn op Gods trouw want (zie VERS 4) ieder mens is leugenachtig. Ook voor de Joden gaf hun bevoorrechte positie niet vanzelfsprekend vrijspraak van het oordeel.

Het is wel duidelijk, dat de Joden geen enkele rechtvaardiging hebben voor God. Hun  Jood-zijn niet en evenmin het feit dat zij besneden zijn.

Ook wij kunnen ons op geen enkele manier verontschuldigen voor God. Maar 1 JOHANNES 1:9 zegt: “Wanneer wij onze zonden belijden: God is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid”.

Vragen:

1 - Het uitverkoren zijn was voor de joden een voorrecht maar ook een opdracht.

  • Wij zijn ook uitverkoren om kinderen van God te zijn.
  • Welke opdracht heeft Jezus ons gegeven? Zie MATTHÉÜS 28:16-20.

2 - Bij veel Joden had de leer geen relatie met hun leven.

  • Vinden we dat spanningsveld ook bij mensen die zich christen of christelijk noemen?
  • Denk daarbij eens aan zaken als: Belastingdienst, moderne afgoden, T.V., voorgewende vroomheid in de kerkdienst gepaard gaande met ontrouw door de week; relatie met vreemdelingen, moslims, terroristen, vijanden e.d.
  • Wat zijn daarvan de consequenties voor onze relatie met God? Zie MATTHÉÜS 7:21-23.

3 - Ken je situaties waarin christenen terecht vanwege hun gedrag negatief worden beoordeeld? Hoe zit het in dit kader met de christelijke politiek?

  • Hoe kunnen wij meewerken om dat beeld te veranderen?

4 - De besnijdenis is een teken van het Oude Verbond van God met Zijn uitverkoren

     volk Israël, met alle beloften die daaraan verbonden waren.

  • Wat bedoelt Paulus met de besnijdenis van het hart? Zie ROMEINEN 2:29.
  • Geldt dat ook voor Christenen?

5 - Kennen wij in ons persoonlijk leven of om ons heen voorbeelden waaruit blijkt dat God trouw blijft, ook wanneer wij zijn aanwezigheid niet altijd even duidelijk merken?

F. van der Werf