Paulus legt in dit gedeelte en in de rest van dit hoofdstuk een zwaar accent op het feit, dat we vanuit onszelf niet aan het oordeel kunnen ontkomen.

Lezen:

“Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt. Want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen. Wij weten echter, dat het oordeel Gods onpartijdig gaat over hen, die zulke dingen bedrijven. Rekent gij wellicht hierop, o mens, die oordeelt over hen, die zulke dingen bedrijven, en ze zelf doet, dat gij het oordeel Gods ontgaan zult?

Of veracht gij de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt? Maar in uw weerbarstigheid en onboetvaardigheid van hart hoopt gij u toorn op tegen de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, die een ieder vergelden zal naar zijn werken: hun, die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; maar hun, die zichzelf zoeken, der waarheid ongehoorzaam en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, wacht toorn en gramschap.

Verdrukking en benauwdheid zal komen over ieder levend mens, die het kwade bewerkt, eerst de Jood en ook de Griek; maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek. Want er is geen aanzien des persoons bij God” ROMEINEN 2:1-11.

In HOOFDSTUK 2 lijkt Paulus zich vooral te richten op de joden die bij de gemeente te Rome horen. In VERS 17 staat: “Indien gij u dan jood laat noemen…”. Dat duidt er dus op, dat ze er een eer in stelden een Jood te zijn. Zij stonden zich kennelijk ook voor op hun Jood-zijn en gingen er van uit, dat zij daardoor bij God een streepje voor hadden. Dit is een belangrijk gegeven om beter te begrijpen wat Paulus met dit gedeelte bedoelt.

Waar gaat dit gedeelte over?

Er staat boven: “Het oordeel Gods over de joden”.

In de vorige les hebben we gezien, dat de mens die geen rekening houdt met God en met Zijn gerechtigheid, schuldig staat voor God. Ging het daarbij in eerste instantie om de Heidenen, geleidelijk verlegt Paulus het accent naar de Joden. De Joden in  Rome, die veel op het zedelijke leven van de Heidenen hebben aan te merken, vergeten, dat hun eigen leven ook niet op zo’n hoog zedelijk peil staat. Dat zij tot het uitverkoren volk behoren betekent niet, dat zij aan het oordeel zullen ontkomen.

Paulus legt in dit gedeelte en in de rest van dit hoofdstuk een zwaar accent op het feit, dat we vanuit onszelf niet aan het oordeel kunnen ontkomen.

De Joden leken wel een beetje op ons.

Ze stonden gauw klaar met hun oordeel over een ander. Het woordje “daarom” aan het begin van VERS 1 verwijst naar alle slechte dingen die in het vorige gedeelte besproken zijn en Paulus borduurt daar op voort. Wanneer je al die zondige dingen ziet en leest, dan ben je ook geneigd om over mensen die zo doen te oordelen.

Maar zegt Paulus, waarin u een ander oordeelt, veroordeelt u zichzelf. Laten we in dit verband MATTHÉÜS 7:1-5 NBV eens lezen.

“Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt. Want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden, en met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden. Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? Hoe kun je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter uit je oog verwijderen,” zolang je nog een balk in je eigen oog hebt? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder of zuster te verwijderen”.

Ons oordeel is subjectief.

  • Wij zien alles door onze eigen bril.

God oordeelt is op basis van de feiten.

  • Hij toetst ons gedrag aan Zijn wet.

Uit VERS 2 blijkt, dat God, of je nu Jood of Christen bent, iedereen oordeelt op zijn of haar gedrag. Wij zijn heel goed in het aandragen van verontschuldigingen Wij zijn toch Christenen, onze zonden zijn onder het Bloed… God tilt niet meer aan de zonde!

Als je dit gedeelte leest ligt het toch wat anders.

God maakte Mozes Zijn wegen bekend. God heeft via Mozes aan de Joden en aan de wereld duidelijk gemaakt wat goed is en wat kwaad is. Daarbij moet je denken aan de Tien Geboden. Jezus heeft dat in de Bergrede nog eens toegespitst. Wij kunnen de wil van God niet zomaar naast ons neerleggen.

VERS 4 is wat moeilijk te begrijpen. Bedoeld wordt, dat de Joden moeten beseffen (en dat geldt denk ik ook voor Christenen) dat ze niet uit eigen verdienste tot berouw zijn gekomen, maar dat het Gods goedheid en genade was die dat heeft bewerkt. God heeft heel wat van Zijn volk moeten verdragen en dat Hij zo lankmoedig is, d.w.z. zo lang geduld heeft met Zijn volk, bewijst ook hoe groot Zijn liefde is.

Als je leest wat Paulus zegt over Gods oordeel, dan lijkt dat bepaald geen blij evangelie. Wat is het dan goed, dat we in dit vers ook lezen van Gods liefde en geduld om ons de tijd te geven om tot berouw over onze zonden te komen. Ik geloof, dat hoe groter ons schuldbewustzijn en berouw is, hoe dieper de dankbaarheid voor Gods genade.

Maar de Joden zijn hardleers. Volgens VERS 5 verachten de Joden de bergen zegeningen en laden bergen van toorn op zich tegen de dag waarop het oordeel plaatsvindt. Dat gebeurt vanwege hun gebrek aan berouw en hun weerbarstigheid (hun verzet) tegen de wil van God.

God oordeelt op basis van gerechtigheid.

In VERS 6 staat, dat het oordeel van God als een rechtvaardig oordeel gaat over iedereen. Er zal een vergelding plaatsvinden naar de werken. Beloning of straf. Wat dat inhoudt staat in de VERZEN 7 EN 8.

“Hun, die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; maar hun, die zichzelf zoeken, der waarheid ongehoorzaam en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, wacht toorn en gramschap”.

In deze verzen valt één woordje op: het woordje “zoeken”. Het gaat kennelijk om de gerichtheid en het verlangen van ons hart.

Er zijn dus twee categorieën:

  1. Zij die heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken en in het goede blijven volharden door Gods openbaring te erkennen en die daardoor deel hebben aan alles wat daarmee gepaard gaat: dus heerlijkheid, eer en vrede en als beloning het eeuwige leven.
  1. Zij die zichzelf zoeken en het verkeerde doen omdat zij Gods openbaring verwerpen en alles doen wat tegen de wil van God ingaat (ongehoorzaam aan de waarheid; gehoorzaam aan de ongerechtigheid). Voor deze mensen is de straf: toorn en gramschap, verdrukking en benauwdheid. Dat geldt zonder onderscheid voor joden en heidenen. Zie VERS 9.

God oordeelt zonder onderscheid.

Dat klinkt wat negatief allemaal, totdat we horen waar dat toe leidt: Als wij de waarheid zoeken en doen, als we ons leven in Zijn hand stellen dan wacht ons heerlijkheid, eer en vrede. Niet alleen in de toekomst, maar nu al.

Als we goed lezen stelt Paulus hier de vrome woorden en de zelfingenomenheid en het vanuit een superieur gevoel: “Ik hoor bij het volk van God” aan de kaak. Hun vrome woorden kloppen niet met hun daden. Lees JACOBUS 2:14-26. Geloof is altijd, woord en daad.

God oordeelt op basis van onpartijdigheid.

Voor wat betreft beloning of straf is er geen onderscheid tussen Jood of Heiden. In VERS 10 lezen we dat heerlijkheid, eer en vrede over ieder komt die het goede doet. Want er is geen aanzien des persoons bij God. God trekt geen partij voor de één of de ander. De Joden konden zich dus voor God niet beroemen op hun Jood-zijn.

Lezen Romeinen 2:12-16.

“Want allen, die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en allen, die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden; want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden. Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet; immers, zij tonen, dat het werk der wet in hun harten geschreven is, terwijl hun geweten medegetuigt en hun gedachten elkander onderling aanklagen of ook verontschuldigen, ten dage, dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn evangelie, door Christus Jezus”.

Boven de tweede perikoop staat: De wet baat de Joden niet.

De Joden beroemen zich er op, dat ze de wet bezitten, geschreven op steen of perkament. Wanneer ze niet verder komen dan dat hebben ze bij het oordeel geen streepje voor op de Heidenen.

De Joden vonden een ‘geestelijk genot’ in het horen van de wet. Vgl. PSALM 119. Ze vonden het heerlijk om erover te discussiëren. Maar het was vaak godsdienst met het hoofd; niet met het hart.

Paulus maakt in VERS 13 duidelijk, dat niet de mensen die de wet graag horen, maar de daders van de wet rechtvaardig zijn bij God. De Joden die onder de wet gezondigd hebben zullen ook door de wet geoordeeld worden. De wet is het kader van hun normen en waarden.

De mensen die zonder wet gezondigd hebben, de Heidenen dus, zullen ook zonder wet verloren gaan. Paulus plaatst het oordeel over de Heidenen in VERS 14 in een verrassend daglicht. Ook voor Heidenen is er behoud mogelijk wanneer de wet van God in hun harten is geschreven. Wanneer hun geweten er van overtuigd is dat men geen kwaad mag doen, maar dat men God moet liefhebben boven alles en de naaste als zichzelf, dan zijn ze op grond daarvan gerechtvaardigd.

De Heidenen hadden een openbaring van God in de natuur en in hun geweten en worden op grond daarvan geoordeeld, maar niet op grond van de Joodse wet. Voor Joden en Heidenen geldt dat het er op aan komt of men doet wat de wet gebiedt.

Het Jood-zijn op zich en het bezit van de wet op zich kan de joden niet redden van het oordeel van God.

God oordeelt op basis van het evangelie van Jezus Christus. Zie VERS 16.

Volgens VERS 16 wordt niet alleen de uiterlijkheid beoordeeld. We kunnen ons misschien voor anderen nog wel vroom voordoen, maar ook het verborgene wordt beoordeeld door God.

Niet op basis van het onderscheid tussen Jood en Griek, maar alleen op grond van het verlossingswerk van Jezus Christus kunnen Joden en Heidenen aan het oordeel ontkomen.

Vragen:

  1. In ROMEINEN 2:1 worden wij opgeroepen niet over anderen te oordelen.
  • Welke gevolgen kan het oordelen over broeders en zusters hebben?
  • Hoe ervaar je zelf wanneer iemand kritiek op je heeft?
  1. HEBREEËN 3:12-13 zegt ons elkaar te vermanen, d.w.z. terecht te wijzen.
  • Hoe kun je dat met elkaar rijmen; niet oordelen, maar wel vermanen?
  • Welke grondhouding moet je hebben om een ander te vermanen? Zie 1 TIMÓTHEÜS 5:1-2.
  1. Het lijkt wel of Paulus zegt, dat de mensen niet door genade, maar op grond van hun goede werken worden geoordeeld.
  • Hebben onze goede daden betekenis voor ons behoud? Zie MATTHÉÜS 25:31-46.
  1. Welk beeld roept dit gedeelte bij ons op van God? Lees EFEZIËRS 2:4-9.
  1. De Joden beroemden zich op hun Jood-zijn, het door God uitverkoren.
  • Beroemen wij ons ook wel eens op het feit dat wij lid zijn van een bepaalde kerk of Gemeenschap?
  • Welke waarde heeft dat voor God?
  1. De Joden mochten graag discussiëren over hun geloof.
  • Verschillen zij daarin van ons?
  • Hoe praten wij over ons geloof, ligt het accent op theologie of op relatie?

F. van der Werf.