In deze les gaat het om een beschrijving van wat de heidenen van nature zijn. Wij zitten als het ware in de rechtszaal.

Lezen

“Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben.

Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart. Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren.

Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt. Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen.

Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke lusten, want hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke. Eveneens hebben de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkander ontbrand, als mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende en daardoor het welverdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangende” ROMEINEN 1:18-27.

In deze les gaat het om een beschrijving van wat de heidenen van nature zijn. Wij zitten als het ware in de rechtszaal. God de Rechter verklaart de mens die Hem niet als God verheerlijkt als schuldig. Door Zijn grote daden en Zijn scheppingswerk heeft God zich aan de mensen geopenbaard, zodat de mensheid geen verontschuldiging heeft. Boven het gedeelte staat: “De schuld der heidenen en hun straf”.

Dit gedeelte begint met de toorn van God over de goddeloosheid en de ongerechtigheid van mensen. Dat klinkt heel anders dan het vorige gedeelte, waarin het accent ligt op de genade van God en op de rechtvaardige die door het geloof wordt behouden en gerechtvaardigd.

Onze indruk van God is vooral: God is liefde. God vergeeft de zonde. Hij wil niet dat er iemand verloren gaat. Je hoeft alleen maar te geloven. Je zou haast de conclusie kunnen trekken, dat God niet zo zwaar aan de zonde tilt, maar in VERS 18 worden we meteen uit de droom geholpen. God haat de goddeloosheid en de ongerechtigheid.

Willen we een duidelijk beeld krijgen van wie God is dan is het goed om te luisteren naar wat Hij zelf zegt over wie Hij is. Het is een bijzonder moment wanneer Hij in een wolk neerdaalt op de Sinaï en naast Mozes gaat staan en de naam Heer uitroept. Hij maakt zich daar aan Mozes bekend op de volgende manier:

“De HERE ging aan hem voorbij en riep: HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar (de schuldige) houdt Hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid der vaderen bezoekende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht” EXODUS 34:6-7.

Uit deze schets van wat wij het karakter van God zouden kunnen noemen blijkt dat de weegschaal heel sterk doorslaat naar Gods liefde, goedheid en genade. Ieder die nederig berouw toont van zijn schuld, misdaad en zonde mag zeker zijn van Gods vergeving.

De andere kant is, dat God gerechtigheid wil en zwaar tilt aan de schuld van de zonde. God is een strenge en een toornige God wanneer de mens zijn zondige weg niet verlaat.

In VERS 18 spreekt Paulus van waarheid die in ongerechtigheid wordt onderdrukt. De mens die in ongerechtigheid leeft, verdringt de waarheid.

In VERS 25 zien we dit terug: “Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper…”

In VERS 20 staat, De goddelozen kunnen niet zeggen, dat zij het niet geweten hebben. Ze hebben geen verontschuldiging.

Waardoor konden ze het weten?

Vanaf de schepping zijn Zijn kracht en goddelijkheid zichtbaar geworden in alles wat Hij heeft gedaan en dat kan met het verstand worden doorzien. Kijk maar naar het wonder van de schepping dat “mens” heet. De ingenieuze wijze waarop het menselijk oog of het gehoororgaan is samengesteld, de hersenen en een hart, dat zonder onderbreken soms meer dan 100 jaar blijft kloppen zonder dat er een machine aan te pas komt. We hebben het dan nog niet over de rups die in een prachtige vlinder verandert en de soms minuscule zaadjes waaruit bloemen voortkomen in allerlei kleuren en vormen. Het zijn maar een paar voorbeelden van de dingen die we elke dag om ons heen kunnen zien.

Paulus zegt dus eigenlijk, dat God zelf heeft bewezen, dat Hij bestaat.

Dat staat haaks op het denken van de Romeinen toen, maar ook van veel wetenschappers nu.

In VERS 21 staat, dat zij, de goddelozen dus, Hem niet hebben verheerlijkt. Ze hebben Hem niet de goddelijke eer bewezen die Hem toekwam.

Dat leven zonder God heeft gevolgen:

Omdat zij God niet als hun Heere hebben erkend, zijn hun overwegingen op niets uitgelopen.

Als wij geen rekening houden met God, dan hebben wij het contact met de bron verloren en missen we ook een vaste koers voor ons leven. We gaan ons richten op allerlei waardeloze zaken en ons denken wordt een doolhof. Zien we daarvan niet veel terug in onze samenleving? Er is een oud gezegde: “Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen”.

De mens zonder God wil volkomen vrij zijn. Het gevolg is dat er een woud van regels geschapen moet worden om de maatschappelijke gevolgen daarvan te beteugelen.

In VERS 22 EN 23 lezen we, dat de heidenen dwaas geworden zijn, hoewel ze beweren wijs te zijn. We moeten hier ook denken aan de vele verschillende filosofieën die in Paulus dagen de waarheid moesten verbeelden, maar elkaar soms krachtig tegenspraken. Iedereen had zijn eigen filosofie en zijn eigen waarheid, maar voor de waarheid hadden ze geen oog meer. Wanneer een mens alleen op zijn intellect vertrouwt wordt hij tot een dwaas.

Conclusie: De brief van Paulus is dus nog volop actueel.

Door van de waarheid van God af te wijken komen de goddelozen tot afgoderij.

Geen mens kan blijkbaar zonder God of een afgod leven. Het schepsel en de natuur die God geschapen heeft wordt vereerd boven de schepper en daarnaast worden allerlei afgoden in het leven geroepen en aanbeden. (Mensen, dieren en materiële zaken.) Het vergankelijke vervangt het onvergankelijke.

De verwerping van God heeft ernstige consequenties.

Samenvattend kun je de volgende straffen noemen, God heeft hen:

  • In hun hartstochten overgegeven aan onreinheid.
  • Overgegeven aan schandelijke lusten, de tegennatuurlijke omgang.
  • Overgegeven aan een verwerpelijk denken.

A - Waaraan moeten we denken bij Onreinheid?

In de eerste plaats denk ik aan seksuele bandeloosheid, maar daarnaast wordt dit woord ook gebruikt voor ongerechtigheid, ongehoorzaamheid, dwaasheid, afgoderij, leugen e.d.

Het aanbidden van dieren plaatste de mensen onder de dieren, zodat hun lichamen werden onteerd. Men kan door deze dingen niet voor de heilige God verschijnen.

B - Wat verstaat Paulus onder schandelijke lusten?

Dit wordt duidelijk wanneer we VERS 26-27 lezen.

De mens raakt steeds verder af van Gods oorspronkelijke plan: de onherroepelijke bestemming van de ene man voor de ene vrouw, verbonden door het huwelijk, als een instelling van vóór de zondeval. Seksualiteit is alleen bestemd voor deze relatie. Al het andere valt onder de noemer: schandelijke lusten en tegennatuurlijke omgang. Het woord mannen in VERS 27 moet eigenlijk vertaald worden met, ‘mannetjesmensen’.

C - In ROMEINEN 1:28-32 beschrijft Paulus een hele lijst verderfelijke zaken.

Daarbij gebruikt hij begrippen en opsommingen die bij vele heidense schrijvers in de oudheid in zwang waren. Hij bewijst daarmee goed op de hoogte te zijn van de heidense filosofieën en past deze nu toe op henzelf:

“En daar zij het verwerpelijk achtten God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verwerpelijk denken om te doen wat niet betaamt: vervuld van allerlei onrechtvaardigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid, vol nijd, moord, twist, list en kwaadaardigheid; oorblazers, lasteraars, haters van God, verwatenen, overmoedigen, grootsprekers, vindingrijk in het kwaad, hun ouders ongehoorzaam; onverstandig, onbestendig, zonder hart of barmhartigheid. Immers, hoewel zij de rechtseis van God kenden, namelijk, dat zij, die zulke dingen bedrijven, de dood verdienen, doen zij ze niet alleen zelf, maar schenken ook nog hun bijval aan wie ze bedrijven”.

Conclusies:

  1. De goddelijke openbaring is in eerste instantie voldoende bewijs. Er is geen verontschuldiging voor het niet ingaan op de uitnodiging om God te erkennen.
  1. De zonde is het gevolg van een verkeerde keuze van de mens. Het gaat om een negatieve instelling tegenover de waarheid, die uit de schepping en via het geweten zich aan de mens opdringt.
  1. Eenmaal op deze weg komt de mens van kwaad tot erger. Van aanbidder van de Schepper wordt hij een aanbidder van het schepsel en maakt zich rijp voor het oordeel.

Vragen:

  1. Wanneer men God de Schepper niet de eer geeft en Hem verwerpt en Hem de rug toekeert; wanneer men niet meer naar Hem luistert, dan zien we wat daarvan komt. Wat zien we daarvan in:
  • Onze samenleving.
  • In de politiek.
  • In de wetenschap.
  • In ons gezin.
  • In de kerken.

   2.  Is de schepping door God voor ons nog een realiteit nu de evolutieleer door velen wordt omarmd als
        wetenschap en de scheppingsgedachte “slechts” gebaseerd is op geloofsovertuiging?

  • Heb jij een antwoord wanneer dit onderwerp ter sprake komt?

   3.  Onze motieven, onze doelen, onze waarden worden al dan niet getoetst aan de wil van God.

  • Maakt het verschil tussen gelovigen en ongelovigen hoe we tot een besluit komen over allerlei zaken? Denk aan het solliciteren naar een nieuwe baan; verhuizing naar een andere plaats;  ontspanning, televisie kijken, enz. Lees in dit verband EFEZE 4:17-24.

   4.  In VERS 28-32 beschrijft Paulus allerlei gevolgen van een “verwerpelijk denken”.

  • Zien wij in ons eigen leven of om ons heen wel eens van deze gevolgen?
  • Heeft dit denken ook invloed op christenen?

   5.  In VERS 23 heeft Paulus het over de afgoden van zijn tijd.

  • Welke afgoden worden in deze tijd gediend?
  • Doen christenen daar ook aan mee?

   6.  Dit gedeelte begint met de toorn van God. Zie VERS 18. Meestal leggen wij het accent op de liefde en
        de genade van God.

  • Past de toorn in jou beeld van God?
  • In hoeverre is die toorn van God wel of geen bedreiging voor een kind van God?

F. Van den Werf.