Paulus begint de brief met een uiteenzetting over wie hij is. De gemeente in Rome kent hem nog niet persoonlijk. Wie zegt hij dat hij is?

 

 

Lezen

 

“Paulus, een dienstknecht van Christus Jezus, een geroepen apostel, afgezonderd tot verkondiging van het evangelie van God, dat Hij tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige Schriften –aangaande zijn Zoon, gesproten uit het geslacht van David naar het vlees, naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here –door wie wij genade en het apostelschap ontvangen hebben om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken voor zijn naam onder al de heidenen, tot welke ook gij behoort, geroepenen van Jezus Christus –aan alle geliefden Gods, geroepen heiligen, die te Rome zijn: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.

In de eerste plaats dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, omdat in de gehele wereld van uw geloof gesproken wordt. Want God, die ik met mijn geest dien in het evangelie van zijn Zoon, is mijn getuige, hoe ik onophoudelijk te allen tijde bij mijn gebeden uwer gedenk, biddende, of mij eindelijk door de wil van God eens een weg gebaand moge worden om tot u te komen. Want ik verlang u te zien om u enige geestelijke gave mede te delen tot uw versterking, dat is te zeggen: onder u mede bemoedigd te worden door elkanders geloof, van u zowel als van mij.

Doch ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat ik dikwijls het voornemen heb opgevat tot u te komen – waarin ik tot nu toe verhinderd ben – om ook onder u enige vrucht te hebben, evenals onder de andere heidenen. Van Grieken en niet-Grieken, van wijzen en onwetenden ben ik een schuldenaar. Vandaar mijn bereidheid om ook u te Rome het evangelie te brengen” ROMEINEN 1:1–17.

Paulus begint de brief met een uiteenzetting over wie hij is. De gemeente in Rome kent hem nog niet persoonlijk. Wie zegt hij dat hij is? Een dienstknecht van Christus Jezus; (een slaaf). Zo noemt hij zich bij voorkeur. Hij beschouwt zich als het eigendom van zijn Meester, die hem heeft vrijgekocht. Zijn wil, zijn verlangen en zijn wensen vallen samen met die van zijn Meester. Maar als slaaf is hij vrij om te dienen uit liefde.

Paulus is een geroepen apostel. Zoals we in de vorige les hebben gezien is hij speciaal door God voorbereid voor een bijzondere bediening. Vanaf zijn geboorte was hij hiervoor bestemd. Zie GALLATEN 1:15. Het was hem bij zijn bekering geopenbaard. Zie HANDELINGEN 9:15. En hij begon, met zijn bediening, vanuit een plaatselijke gemeente, na een tijd van voorbereiding. Zie HANDELINGEN 13:2.

Hij was een apostel, d.w.z. een gevolmachtigde gezant of ambassadeur. De volmacht om namens Jezus te spreken had hij van Hem ontvangen via Ananias. Hij is niet uitgekozen door zijn mede-apostelen, maar rechtstreeks door de Heer.

Paulus was geroepen het evangelie te brengen, dat Jezus de Zoon van God was, daarbij verwijzend naar de beloften van de profeten. Bedoeld is eigenlijk het hele Oude Testament. Een Messias die naar het vlees een zoon van David is, maar op grond van Zijn opstanding uit de doden tevens Zoon van God blijkt te zijn en dus goddelijke macht bezit.

Paulus maakt duidelijk dat hij door genade tot het geloof is gekomen en door die gebeurtenis in Damascus het apostelschap heeft ontvangen. Zijn taak was:

“om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken voor Zijn naam onder al de heidenen”.

(D.w.z. het opgeven van het verzet tegen het belijden van Jezus Christus als de Zoon van God). Paulus gaat in VERS 2-5 in op de oorsprong van het evangelie en de voorgeschiedenis maar ook op de inhoud en wel als volgt:

  • Jezus is de Zoon van God.
  • Een verlosser uit het aardse koningsgeslacht en tegelijk een hemelse verlosser.
  • De Zoon van God, bekleed met goddelijke macht.

HEBREEËN 1:1-5 NBV omschrijft dit als volgt:

“Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die hij heeft aangewezen als enig erfgenaam en door wie hij de wereld heeft geschapen. In hem schittert Gods luister, hij is zijn evenbeeld, hij schraagt de schepping met zijn machtig woord; hij heeft, na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit, ver verheven boven de engelen omdat hij een eerbiedwaardiger naam heeft ontvangen dan zij. Tegen wie van de engelen heeft God immers ooit gezegd: ‘Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt’? Of: ‘Ik zal een vader voor hem zijn, en hij voor mij een zoon’?”

Jezus is aan de mensen gelijk geworden.

“Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had. Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mensFILIPPENZEN 2:5-7 NBV.

  • De opstanding van Jezus is het bewijs van Zijn Goddelijkheid.
  • Hij gaat in op zijn bedoeling.

In VERS 6-16, begroet hij de mensen in Rome als geroepenen, als geliefden en als heiligen. Uit VERS 7 blijkt, dat zij geroepen zijn. Wat houdt dat in? Dat de uitnodiging van God ook naar de heidenen is uitgegaan en dat zij ook deel mogen hebben aan de genade.

Zij zijn geliefden Gods, dat houdt dus in, dat God hen lief heeft. Wij mogen God danken dat dit ook voor ons geldt wanneer wij op Gods uitnodiging zijn ingegaan. Geroepen heiligen, dat wil zeggen, apart gezet, geheiligd door Jezus Christus. In VERS 8 staat, dat in de hele wereld van hun geloof wordt gesproken. Ze kwamen er dus openlijk voor uit en vielen op door de manier waarop zij zich van anderen onderscheidden.

Paulus droeg de gemeente in Rome op zijn hart. In VERS 9 staat dat hij onophoudelijk voor de gemeente te Rome bidt. Hij bidt ook voor een opening om naar hen toe te kunnen gaan, maar wordt nog steeds verhinderd.

  • Paulus laat de uitvoering van zijn plannen dus duidelijk afhangen van de wil van God.

Achteraf weten we, dat Paulus eerst in gevangenschap moest gaan en pas als gevangene in Rome zijn werk kon doen. God maakt het zijn dienaren blijkbaar niet altijd gemakkelijk.

Waardoor was Paulus zo gedreven om hen het evangelie te verkondigen?

  • Paulus had een persoonlijke relatie met God.
  • Paulus had echte belangstelling voor de gelovigen.
  • Hij betrekt God in hun relatie, VERS 10.
  • Hij heeft hun geestelijke groei op het oog.
  • Hij kan zelf ook niet zonder de gelovigen, VERS 12.
  • Paulus is zich sterk bewust van zijn taak.
  • Hij heeft het voornemen om naar Rome te gaan;
  • Hij voelt zich een schuldenaar van Grieken en niet-Grieken, van wijzen en onwetenden. In Rome stond de Griekse cultuur en wijsheid hoog in het vaandel en mensen die niet tot die cultuur behoorden werden als ‘onwetenden’ afgeschilderd.
  • Hij is bereid, VERS 15 en,
  • Hij schaamt zich niet voor het evangelie, want het is een kracht Gods tot behoud. Het evangelie is een kracht in zichzelf. Het doet altijd zijn werk als iemand het hoort.

In vers 16 en 17 wordt het thema van de brief samengevat.

“Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven”.

Voor het evangelie hoef je je niet te schamen. Als kracht van God geeft het de dynamiek om levens te veranderen. Het evangelie is gericht op het behoud van mensen. Het doel van het evangelie wordt heel mooi omschreven in TITUS 2:11-14 NBV:

Gods genade is openbaar geworden tot redding van alle mensen. Ze leert ons dat we goddeloze en wereldse begeerten moeten afwijzen en bezonnen, rechtvaardig en vroomin deze wereld moeten leven, in afwachting van het geluk waarop wij hopen: de verschijning van de majesteit van de grote God en van onze redder Jezus Christus. Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle zonde vrij te kopen, ons te reinigen en ons tot zijn volk te maken, dat vol ijver is om het goede te doen”.

Het evangelie is voor een ieder; met een aanbod eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek en de rest van de wereld. Het is voor een ieder die gelooft. Er is dus maar één voorwaarde om deel te hebben aan het evangelie en dat is: geloof alleen. EFEZIËRS 2:8-9.

Dat middel is door God gegeven.

Het is het evangelie dat de gerechtigheid van God openbaart. Daarmee wordt het diepste wezen van het evangelie aangegeven. Door die gerechtigheid kunnen wij voor God bestaan alsof wij geen enkele zondeschuld zouden hebben.

De uitwerking van dat evangelie is een leven uit geloof. De rechtvaardige zal uit het geloof leven. Zie GALLATEN 3:11; HEBREEËN 10:38; HABAKUK 2:4.

Wij kunnen ons evangelisch noemen wanneer we gegrepen zijn door het evangelie; wanneer we met Paulus kunnen zeggen: ‘Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij’.

Vragen:

  1. Op welke manier worden of zijn wij geroepen om te geloven? In de hele wereld werd van het geloof van de mensen in Rome gesproken. Hoe zou dat gekomen zijn en wat heeft dat ons te zeggen?
  1. Paulus kreeg een bijzondere bediening. Kennen wij ook bedieningen in de gemeente? Wij hebben in deze studie gezien waardoor Paulus zo gedreven was om zijn werk te doen. Herkennen wij daarvan dingen die ook wij nodig hebben om onze bediening uit te voeren?
  1. Paulus schrijft, dat hij onophoudelijk voor de gemeente te Rome bidt. Heeft dat ons ook iets te zeggen over onze verbondenheid met en medeverantwoordelijkheid voor andere gemeenten in Nederland en in de wereld?
  1. Paulus stelt zich bij de uitvoering van zijn plannen afhankelijkheid van Gods leiding. Hoe doen wij dat met de plannen voor ons zelf en het werk van de gemeente? Op welke manier kunnen wij Gods leiding ontdekken?
  1. Paulus noemt het evangelie, “een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft”. Ken je voorbeelden in je eigen leven of dat van anderen waaruit blijkt dat het evangelie die kracht heeft?
  1. Zijn er woorden in de Bijbel die voor jou een bijzondere betekenis hebben? Bemoedig elkaar daarmee.

F. van der Werf