Psalm 7

Het is heel vervelend wanneer mensen over je kwaadspreken. Dat ze dingen over je vertellen die niet conform de waarheid zijn. Bij het lezen van deze psalm kom je tot de ontdekking dat, ieder mens behoefte heeft aan een goede naam.

Als je goede naam is aangetast kan dit nare gevolgen hebben. De mensen mijden je, ze lachen je uit of bespotten je. Niemand van ons zit te wachten op veroordelende woorden. Woorden die je ‘van binnen dood’ kunnen maken. Iemand heeft eens gezegd: ‘Als je de ander uitlacht, heb je op dat moment een relatie doodgelachen.’

Er zijn in de loop der tijd al heel wat relaties ‘doodgelachen.’ En veel mensen zitten hierdoor met schuldcomplexen. De ander uitlachen drijft relaties uit elkaar. Goed, je kunt de opmerking maken van; ‘wie het laatst lacht, lacht het best.’ Maar, verlost je dat uit je isolement? Is dat een soort helende kracht? Nee, wie écht is uitgelachen weet wel beter. Want uitlachen heeft te maken met honen en het bespotten van iemand. Eigenlijk is het de ander smaden of schandelijk beledigen. En dit gaat veel dieper dan je denkt.

Nu, in zo’n situatie zit David nu ook. Er was een geniepige tegenstander die hem het leven zuur maakte. Die hem van alles en nog wat beschuldigde. Dingen waar hij part noch deel aan had. Laat David het er bij zitten? Geeft hij zich gewonnen? Zegt hij, je zult wel gelijk hebben? Met dit soort vragen houd David zich niet mee bezig. Hij laat zich niet verleiden door wat mensen van hem vinden. Daarom stelt hij zich kwetsbaar op, niet in de eerste plaats voor mensen, maar voor God. Wat God van hem vindt, dat zal voor David het zwaarst wegen. In eigen ogen is hij onschuldig, en toch vraagt hij aan God om te beslissen wat waar is. Eigenlijk is deze psalm een lied van onschuld. Een lied waarin David zingt van zijn onmacht maar ook van Gods zuiverende kracht.

Hoe gaat David naar God toe? Hoe stelt hij zich op? Zegt David, ‘Heer wilt U even afrekenen met mijn vijand? Nee, hij begint niet bij de ander maar bij zichzelf. Heer hier ben ik: “als ik iets heb misdaan, als er onrecht kleeft aan mijn handen, als ik goed met kwaad heb vergolden, of mijn belager zonder reden heb beroofd laat dan de vijand mij achtervolgen, mij inhalen, vertreden en vertrappen in het stof, mij beroven van mijn eer en mijn leven.”

Als ik iets heb misdaan dan... Met deze woorden komt David bij God. Eigenlijk zegt hij: ‘wilt U mij beoordelen op mijn daden.’ En als er een rechtmatige aanklacht is, dan heeft de tegenstander het recht om mij te beroven van mijn eer, van mijn goede naam en mijn leven.

Ondanks dat David overtuigd is dat ‘de aanklacht’ geen enkele grond bij God vindt, beroept hij zich toch op God. Hij laat het oordeel aan God over. David is dan ook geen man die zijn handen in onschuld wil wassen. Hij weet wat de zonde met je kan doen, want: “Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg, kreunend leed ik, de hele dag. Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht, mijn kracht smolt weg als in de zomerhitte. Toen beleed ik u mijn zonde, ik dekte mijn schuld niet toe, ik zei: ‘Ik beken de HEER mijn ontrouw’ – en u vergaf mij mijn zonde, mijn schuld.” PSALM 32:3-5

David heeft geleerd om verantwoording af te leggen voor God en mensen. Daarom laat David de veroordelende woorden, beoordelen door de allerhoogste Rechter. En hiermee legt David ook zijn pijn, de smadende woorden, het uitgelachen worden, zijn onteerde naam voor de troon van God neer.

“Als ik iets heb misdaan”, in die woorden klinkt Davids roep om een rechtvaardig oordeel. En met volle vrijmoedigheid gaat hij naar God toe. Hij is niet bang om door God beoordeeld te worden. Hij treedt binnen in het Goddelijke gerechtsgebouw waar God op de rechterstoel zit. En David wacht de Goddelijke beoordeling af. Nu kun je zeggen, is David hier niet een beetje arrogant? Is David nu zo volmaakt, heeft hij dan geen enkele zonde begaan? Nee, David doet hier geen beroep op het feit dat hij een volmaakt mens is, maar wel op het feit dat de mensen hem vals beschuldigen. En die valse aanklachten wil hij beoordeeld zien door God.

David werd oneerlijk beoordeeld door de mensen. In die aanklacht herken ik een andere aanklacht. Jezus, onze verlosser, werd ook vals beschuldigt. En in die aanklacht wordt ons een blik gegund in de diepte van Jezus lijden. Hij werd zonder aanleiding en met valse motieven door mensen veroordeeld en uitgelachen. Jesaja zegt: “Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht.” 53:3

Wie het verhaal van ‘Jezus daden’ leest zal geen enkele aanklacht tegen Hem kunnen vinden. Hij heeft de mens geen kwaad, maar alleen maar goed gedaan. Er kleefde geen onrecht aan Zijn handen. Als dat wel zo was, dan zou Zijn kruisdood volkomen rechtvaardig zijn. Maar het tegenovergestelde is waar. “Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen. Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad? Hij werd verbannen uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk werd hij geslagen. Hij kreeg een graf bij misdadigers, zijn laatste rustplaats was bij de rijken; toch had hij nooit enig onrecht begaan, nooit bedrieglijke taal gesproken.” JESAJA 53:8-9

Dit is in het kort het verslag hoe onrechtvaardige mensen de Rechtvaardige mens, Jezus Christus, veroordeelden. Ondanks dat Hij: “het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd, uitgewist en het vernietigd (heeft) door het aan het kruis te nagelen”, hebben de mensen geschreeuwd: ‘weg met Hem, kruisigt Hem.’ KOLOSSENZEN 2:14; JOHANNES 19:6

Wij werden aangeklaagd en God de Vader heeft ons niet veroordeeld. In Jezus werd elke aanklacht teniet gedaan. Elk document wat tegen ons getuigde bestaat niet meer. Wat een genade voor een ieder van ons. Er werd in Jezus geen onrecht gevonden. Er was geen enkel bewijs wat tegen Hem getuigde. En er was geen wet die kon aantonen dat Zijn kruisdood gerechtvaardigd was. Was dit wel zo geweest dan hadden de Romeinen Jezus zonder meer ter dood gebracht.

Pilatus vond dan ook geen bewijs, geen schuld in Jezus en wilde Hem gewoon vrijlaten. Maar er waren anderen die persé wilden, dat Jezus uit de weg geruimd moest worden. Dat waren de kerkelijke leiders, zij waren het die begonnen te schreeuwen: “Kruisig hem, kruisig hem! ’ Toen zei Pilatus: ‘Neem hem dan maar mee en kruisig hem zelf, want ik zie niet waaraan hij schuldig is.” JOHANNES 19:3;6 Waarom moest Jezus sterven, omdat Hij niet paste in een wereld die door de satan gedomineerd wordt.

David pleitte voor zijn leven dat God zijn naam zou zuiveren. Jezus gaf zijn leven en pleite voor ons, zodat onze naam in ‘Jezus Naam’ gezuiverd kon worden door het offer wat Hij bracht. Er werd in Hem geen onrecht gevonden. Jezus ging ook niet in de verdediging. Hij stierf door de handen van Zijn vijanden. Een vijand die net als bij David eropuit was om op grond van laster en hoongelag Jezus te kunnen doden.

Wat was het gebed van David? “HEER, rechter van de wereld. Doe mij recht, HEER, ik ben onschuldig, mij treft geen blaam. Roep de goddelozen een halt toe en wees de rechtvaardige tot steun.” Was Jezus schuldig? Volgens het Romeinse rechtsysteem niet. Luisterde God naar Davids gebed, ja. En hoe is Jezus in ere hersteld? Hoe was God ‘dé Rechtvaardige’ tot steun? Door Jezus uit de dood op te wekken en Hem in de Hemel op te nemen. Zo zien we een bijzondere unieke gerechtigheid bij God de Vader voor ons allemaal.

Wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in, is een bekend gezegde. Dit zien we ook in deze psalm terug. David heeft ervoor gekozen om zijn vertrouwen op de Heer te stellen. Hij weet ook dat: ‘wat je zaait zul je oogsten.’ De vijand had het plan opgevat om David te liquideren, maar het heeft een averechtse uitwerking. De gegraven kuil is dan hún eind bestemming. En al het beoogde onrecht komt neer op het hoofd van de vijand.

Door de onpartijdige rechtvaardigheid van God zingt David een prachtig slotakkoord. “Ik zal de HEER om zijn rechtvaardigheid loven, de naam van de HEER, de Allerhoogste, bezingen.”

Een lied voor God zingen, Hem bezingen om Zijn goedheid dat is wat David doet. Heb jij ook een reden om te zingen. Te zingen over Zijn liefde voor jou? Of waaien de woorden van je lippen zodra jij je mond open doet? Je wilt wel maar kunt het niet. De problemen timmeren de woorden vast op je tong. Als dit zo is dan ben je niet de enige. Veel mensen worstelen met massa’s vragen richting God. Is het allemaal wel eerlijk, waar heb ik dit aan verdiend? Waarom roddelen de mensen zo over me, en waarom laat U dit allemaal toe?

Maar wat doet David? Hij gaat ondanks zijn problemen zingen over Gods goedheid, hij wil de Rechtvaardige loven. En wat is het thema van zijn lied, ‘de rechtvaardigheid van God’, die mijn naam zal zuiveren.

Mooi he, om te zingen te midden van je verdriet, te zingen als mensen kwaad van je spreken. Misschien hebben mensen je verlaten en sta je er alleen voor. En je vraagt je af, waarom Heer, dat is toch niet eerlijk? Dit verdien ik toch niet? Zingen is een wonderlijke zaak. Het doet iets met je, iets wat je niet verklaren kunt. Kennelijk verdrijft Hét lied onze nood. Om die reden zegt David: “De naam van God wil ik loven met een lied, zijn grootheid met een lofzang prijzen.” PSALM 69:31 Er zit in ons zingen een kracht verborgen. Jacobus haakt hierop in wanneer hij schrijft: “als een van u het moeilijk heeft, laat hij bidden; is hij vrolijk, laat hij een loflied zingen.” JAKOBUS 5:13

“Ik zal de HEER om zijn rechtvaardigheid loven”, wel lieve mensen, dat is zingend omhoog naar de hemel kijken. Je verwacht het dan van Hem, omdat God je hemelse Vader alle dingen voor jou in orde zál maken én, in orde gemaakt heeft. De Rechter zal je ‘recht’ doen, want Hij heeft je naam gezuiverd, voor Hem ben je wel aanvaardbaar. Geloof je dat? Geniet van je gezuiverde naam!

Ik wens je Gods zegen